ECLI:NL:CRVB:1997:AW1441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- H. Bolt
- I. Ritter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering AAW/WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid en onverschuldigde betaling
Appellant was sinds 1977 werkzaam als uitrijder maar werd arbeidsongeschikt verklaard wegens rug- en schouderklachten. Vanaf 1980 ontving hij uitkeringen op grond van de AAW en WAO, laatstelijk berekend op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Daarnaast kreeg hij een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
Vanaf 12 februari 1990 verrichtte appellant werkzaamheden als bankwerker waarvoor hij loon ontving. Gedaagde ontdekte dit in augustus 1990 en schortte daarop de uitkeringen op. Vervolgens werden de AAW-uitkering ingetrokken en de WAO-uitkering herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Tevens werd een terugvordering ingesteld van onverschuldigd betaalde bedragen.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten niet-ontvankelijk of ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel dat appellant geen recht meer had op de toeslag en dat de herziening van de WAO-uitkering terecht was. Ook is vastgesteld dat appellant onverschuldigd uitkering en toeslag heeft ontvangen doordat hij niet tijdig heeft gemeld dat hij werkte.
De Raad oordeelt dat de besluiten niet in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en dat de terugvordering terecht is opgelegd. De aangevallen uitspraak wordt dan ook bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en herziening van de AAW- en WAO-uitkering en de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen worden bevestigd.