Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7227

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 september 1997
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
95/8665 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.F.M. Brenninkmeijer
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • L.J.A. Damen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 19 BeroepswetArt. 21, eerste lid, BeroepswetArt. 129 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging termijnstelling nieuw besluit en schorsende werking hoger beroep in WW-uitkeringszaak

Het geschil betreft een beslissing van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) om aan gedaagde geen WW-uitkering toe te kennen vanaf 16 september 1992, omdat hij niet als werknemer werd beschouwd. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van gedaagde gegrond en stelde de Lisv binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

Appellant stelde in hoger beroep dat deze termijn onjuist was, omdat volgens het Besluit beslistermijnen sociale verzekeringswetten een termijn van 13 weken geldt voor primaire beslissingen en beslissingen op bezwaar. De Raad verwierp dit standpunt en oordeelde dat de rechtbank bevoegd was een kortere termijn te stellen voor het uitvoeren van haar uitspraak, mede gelet op de noodzaak van bijzondere voortvarendheid.

Verder bevestigde de Raad dat op grond van artikel 19 van Pro de Beroepswet de werking van de uitspraak, inclusief de gestelde termijn, wordt opgeschort zolang het hoger beroep loopt. De Raad verklaarde appellant ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde hem in de proceskosten van gedaagde.

Uitkomst: De Raad bevestigt de termijnstelling van zes weken voor het nemen van een nieuw besluit en verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond.

Uitspraak

95/8665 WW
U I T S P R A A K
O.
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A., wonende te B., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de
Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt
het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv)
in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het
onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt
onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Onder dagtekening 11 mei 1993 heeft appellant aan gedaagde
kennis gegeven van zijn beslissing om aan gedaagde met ingang
van 16 september 1992 geen uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet (hierna: WW) toe te kennen, omdat gedaagde
niet als werknemer in de zin van die wet beschouwd kan worden.
De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak
van 27 oktober 1995, beslissende op het namens gedaagde tegen
die beslissing ingestelde beroep, dat beroep gegrond
verklaard, die beslissing vernietigd, en bepaald dat appellant
binnen zes weken na verzending van die uitspraak een nieuw
besluit diende te nemen met inachtneming van het in die
uitspraak gestelde.
Appellant is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen. In een aanvullend beroepschrift d.d. 14 maart 1996
zijn de gronden voor het hoger beroep uiteengezet.
Het geding is - gevoegd met het geding, bij de Raad bekend
onder nummer 96/3355 WW - behandeld ter zitting van de Raad,
gehouden op 6 februari 1997, waar voor appellant is verschenen
mr P.J. van Ogtrop, werkzaam bij Gak Nederland B.V.. Namens
gedaagde is verschenen mr R. van Rees, advocaat te Gouda.
Aangezien naar het oordeel van de Raad het onderzoek niet
volledig is geweest, is het onderzoek heropend.
Nadien heeft de Raad, met toestemming van partijen, onder
toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb), in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de
Beroepswet, bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
II. MOTIVERING
Appellant heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de
opdracht van de rechtbank om binnen zes weken na verzending
van de uitspraak een nieuw besluit te nemen inzake de rechten
van gedaagde op een WW-uitkering.
Daartoe heeft appellant in het aanvullend beroepschrift onder
meer het volgende aangevoerd:
"In het onderhavige geval betrof het geschilpunt de
vraag of eiser verzekerd was voor de WW.
Ondergetekende kan zich er mee verenigen dat de
rechtbank zich op het standpunt stelt dat
ondergetekende binnen zes weken met betrekking tot
dit punt een nieuw besluit dient te nemen.
Echter uit de uitspraak van de rechtbank volgt
tevens dat ondergetekende binnen de genoemde termijn
van zes weken een beslissing dient te nemen met
betrekking tot het recht op WW-uitkering en de omvang hiervan.
Naar het oordeel van ondergetekende miskent de
rechtbank hiermee dat voor een dergelijk besluit het
bepaalde in het Besluit beslistermijnen sociale
verzekeringswetten in acht moet worden genomen. Meer
specifiek toegespitst op de WW kan worden
vastgesteld dat voor primaire beslissingen op grond
van de WW - inclusief de beslissing inzake de
verzekeringsplicht voor de WW zoals in casu aan de
orde is een beslistermijn van 13 weken geldt
(artikel 9, leden 1 en 2, Besluit beslistermijnen
sociale verzekeringswetten). Op grond van artikel
129 WW geldt voor het nemen van een beslissing op
bezwaar eveneens een termijn van 13 weken.".
Verder heeft appellant in het aanvullend beroepschrift gewezen
op het gestelde in de memorie van toelichting bij artikel 8:72
van de Awb, PG Awb II, p.471.
De Raad kan het standpunt van appellant niet onderschrijven.
De leden een en twee van artikel 9 van Pro het Besluit van
28 december 1993, Stb. 779 (hierna: Besluit beslistermijnen
sociale verzekeringswetten) hebben betrekking op primaire
beschikkingen op aanvraag. Daarvan is in casu geen sprake. Ook
overigens valt niet in te zien waarom voor het uitvoeren van
de uitspraak van de rechtbank niet een snellere interne
procedure zou kunnen worden gevolgd dan de standaardprocedure.
In de memorie van toelichting wordt juist de noodzaak van
"bijzondere voortvarendheid" benadrukt (PG Awb II, p.471).
In artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb is aan de rechtbank
een zelfstandige bevoegdheid verleend om het bestuursorgaan
een termijn te stellen voor het nemen van een nieuw besluit.
De door appellant aangehaalde passage uit de memorie van
toelichting bij de Awb kan niet tot een ander oordeel leiden,
nu die passage primair betrekking heeft op het vierde lid van
artikel 8:72 van Pro de Awb, en daarin ook overigens geen absolute
koppeling aan het Besluit beslistermijnen sociale
verzekeringswetten voorgestaan wordt.
Indien de rechtbank bij het toepassen van artikel 8:72, vijfde
lid, van de Awb geen termijn zou kunnen stellen die korter is
dan de "normale" beslistermijn, zou deze bevoegdheid
grotendeels van haar betekenis worden ontdaan.
De Raad kan de wijze waarop de rechtbank in casu van haar
bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, niet onjuist achten.
De Raad overweegt voorts - in navolging van zijn eerdere
uitspraken 96/526 AAW, gepubliceerd in JB 1997/50, en 95/1248
AAW, gepubliceerd in RSV 1997/90, dat op grond van artikel 19
van de Beroepswet de werking van een uitspraak als de
onderhavige wordt opgeschort totdat de termijn voor het
instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger
beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist.
Uit deze bepaling vloeit voort dat de opschortende werking
zich ook uitstrekt tot de termijn die in het dictum van de
aangevallen uitspraak op grond van artikel 8:72, vijfde lid,
van de Awb is gesteld voor het nemen van een nieuw besluit.
Eventuele complicaties met betrekking tot de werking van de
uitspraak van de rechtbank gedurende de termijn voor het
instellen van hoger beroep dienen op het niveau van de
rechtbank te worden opgelost.
De Raad is echter thans, anders dan in zijn twee hiervoor
genoemde uitspraken, van oordeel dat appellant wel
ontvankelijk is in zijn hoger beroep, aangezien er voor
appellant geen andere weg open stond dan het instellen van
hoger beroep om het dictum van de aangevallen uitspraak te
bestrijden. Dat het door appellant beoogde resultaat, gelet op
artikel 19 van Pro de Beroepswet, reeds bereikt wordt door het
instellen van het hoger beroep, doet hier niet aan af.
De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel
8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde
in hoger beroep, begroot op f 710,-- voor de kosten van rechtsbijstand.
Mede gelet op artikel 22, derde lid, van de Beroepswet dient
als volgt te worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep tot een bedrag groot f 710,-- te betalen door appellants bedrijfsvereniging;
Bepaalt dat van appellants bedrijfsvereniging een recht van f 630,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en
mr L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 4 september 1997.
(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.
(get.) L.H. Vogt.
EB/HL
809