Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder
is aangeduid en gedaagde als eiseres, ontleent de Raad de
navolgende feiten en omstandigheden:
"Eiseres werkt sedert 13 mei 1985 op basis van een
zogenaamd uurloon parttimers-contract als
kantinemedewerkster bij de Hema. Op 2 juli 1993 werd
voor haar, in het kader van een reorganisatie bij de
Hema, een ontslagvergunning verzocht voor 5.3 uren.
Na het verkrijgen van de ontslagvergunning werd door
eiseres en haar werkgeefster een nieuwe
arbeidsovereenkomst getekend welke inging per 1
november 1993 voor een gemiddeld aantal van 15 uren
per week, eveneens als zogenaamde uurloon parttimer.
Eiseres heeft zich tot verweerder gewend met het
verzoek om een uitkering ingevolge de WW terzake van
dit door haar geleden urenverlies. Zij heeft
opgegeven voor aanvang van deze gedeeltelijke
werkloosheid gemiddeld 20,3 uren per week bij de
Hema te hebben gewerkt.
Verweerder heeft haar bij brief van 3 november 1993
medegedeeld dat haar in afwachting van een
definitieve beslissing voorschotten zullen worden
verstrekt.
Op 3 november 1993 heeft de werkgeefster van eiseres
de zogenaamde werkgeversverklaring aan verweerder
gezonden, en daarbij een overzicht gevoegd van de
door deze in de laatste 30 weken voor haar
werkloosheid gewerkte dagen en uren en voorts opgave
gedaan van de aan haar verstrekte vakantievergoeding
ad 9.73%.
Verweerder heeft bij besluit van 30 maart 1994 een
WW-uitkering aan eiseres toegekend.
Vervolgens heeft verweerder eiseres bij besluiten
van 3 en 17 mei 1994 medegedeeld dat zij geen recht
op een WW-uitkering heeft, daar zij daarvoor een te
gering urenverlies, te weten van 2,99 uur, had
geleden en dat zij de door haar ontvangen
voorschotten over de periode van 1 november 1993 tot
25 april 1994 terug diende te betalen.
Verweerder was voor de vaststelling van het
urenverlies uitgegaan van de laatste 26 weken
voorafgaande aan 1 november 1993. Hierin had eiseres
426,3 uur gewerkt, gemiddeld 17,99 uur per week.
Verweerder heeft daarbij de volgende berekening
gemaakt:
426.3 : 26 X 109.73 = 17,99.
Eiseres heeft tegen het besluit van 3 mei 1994 een
bezwaarschrift ingediend en daarin onder meer het
volgende aangevoerd:
-Zij acht de vaststelling van het door haar
gemiddeld gewerkte aantal uren van 17,99 uur te
laag.
-Verweerder zou daarbij ten onrechte voorbij hebben
gezien aan het feit dat zogenaamde uurloon
parttimers hun salaris over vakantieuren in een
bedrag ineens ontvangen, in een zogenaamde
vakantievergoeding.
-Deze vakantievergoeding wordt maandelijks opgebouwd
met 9.73% van het inkomen over de betalingsperiode.
Zij is van mening dat deze uren dienen te worden
gelijkgesteld met uren waarover zij zonder te werken
loon heeft ontvangen, conform het bepaalde van
artikel 16 lid 2 WW.
-Voorts zou er een vertekend beeld van haar
arbeidspatroon zijn ontstaan doordat zij in de weken
18 en 31 tot en met 34 vakantie heeft opgenomen,
waardoor het gemiddeld aantal door haar gewerkte
uren zou zijn verminderd. Deze weken zouden op grond
van het bepaalde in artikel 17 lid 5 WW gelijk
moeten worden gesteld met gewerkte weken.".