ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.G. Kasdorp
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Vordering pensioenrechten als vermogensbestanddeel en niet als inkomen bij bijstandsuitkering
Appellante, gescheiden in 1990, had op grond van het echtscheidingsconvenant recht op een bedrag van f 3.234,-- als aandeel in pensioenrechten, te voldoen in zes jaarlijkse termijnen. Bij de aanvraag van bijstand in 1990 werd dit niet als inkomen meegenomen. In 1993 constateerde gedaagde dat deze aanspraken niet waren meegenomen en begon vanaf 1993 inhoudingen op de bijstandsuitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen de inhouding van f 539,-- per maand vanaf februari 1995, stellende dat dit bedrag niet als inkomen maar als vermogensbestanddeel moet worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het bedrag als inkomen in de zin van artikel 9 BLN Pro volledig op de uitkering in mindering moest worden gebracht.
De Centrale Raad vernietigt deze uitspraak en oordeelt dat de vordering op het pensioenbedrag een vermogensbestanddeel is dat bij de toetsing van artikel 7 ABW Pro in aanmerking moet worden genomen, en niet als inkomen volgens artikel 9 BLN Pro. De inhouding en het besluit van 12 september 1995 worden vernietigd. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten.
Uitkomst: De inhouding van het pensioenbedrag op de bijstandsuitkering is onterecht; het bedrag is een vermogensbestanddeel en niet inkomen.