ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7425

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 december 1997
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
96/6792 ABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
  • Ch.J.G. Olde Kalter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 ABWArt. 9 BLNArt. 8:75 AwbAlgemene BijstandswetBijstandsbesluit landelijke normering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering pensioenrechten als vermogensbestanddeel en niet als inkomen bij bijstandsuitkering

Appellante, gescheiden in 1990, had op grond van het echtscheidingsconvenant recht op een bedrag van f 3.234,-- als aandeel in pensioenrechten, te voldoen in zes jaarlijkse termijnen. Bij de aanvraag van bijstand in 1990 werd dit niet als inkomen meegenomen. In 1993 constateerde gedaagde dat deze aanspraken niet waren meegenomen en begon vanaf 1993 inhoudingen op de bijstandsuitkering.

Appellante maakte bezwaar tegen de inhouding van f 539,-- per maand vanaf februari 1995, stellende dat dit bedrag niet als inkomen maar als vermogensbestanddeel moet worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het bedrag als inkomen in de zin van artikel 9 BLN Pro volledig op de uitkering in mindering moest worden gebracht.

De Centrale Raad vernietigt deze uitspraak en oordeelt dat de vordering op het pensioenbedrag een vermogensbestanddeel is dat bij de toetsing van artikel 7 ABW Pro in aanmerking moet worden genomen, en niet als inkomen volgens artikel 9 BLN Pro. De inhouding en het besluit van 12 september 1995 worden vernietigd. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten.

Uitkomst: De inhouding van het pensioenbedrag op de bijstandsuitkering is onterecht; het bedrag is een vermogensbestanddeel en niet inkomen.

Uitspraak

96/6792 ABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de
gemeente Heemskerk, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Als gemachtigde van appellante heeft mr M.C.H.G. Roosen,
advocaat te Beverwijk, op de bij aanvullend beroepschrift
uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de
Arrondissementsrechtbank te Haarlem onder
dagtekening 6 juni 1996 tussen partijen gewezen uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft op 7 maart 1997 een verweerschrift ingediend en
desverzocht op 17 oktober 1997 stukken aan de Raad gezonden en
enige vragen beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 oktober 1997, waar
voor appellante is verschenen mr W.G. Fischer, kantoorgenoot
van mr Roosen, voornoemd, en waar gedaagde zich niet heeft
doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet
(ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de
Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking
getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt
beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende
bepalingen, zoals die luidden ten tijde als in dit geding van
belang.
De Raad ontleent aan de aangevallen uitspraak, waarin
appellante als eiseres is aangeduid en gedaagde als
verweerder, de volgende feiten en omstandigheden:
"Eiseres is in 1990 gescheiden van de heer [naam voormalig echtgenoot]. Bij de
scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap had
eiseres aanspraak op de helft van de tijdens het huwelijk
opgebouwde pensioenrechten
ad f 3.234,--. Bij echtscheidingsconvenant zijn partijen
overeengekomen dat de ex-echtgenoot voornoemd bedrag in
6-jaarlijkse termijnen aan eiseres zou voldoen, te beginnen op
15 december 1990.
In juni 1990 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag om
bijstand ingediend. Bij de aanvraag heeft eiseres een kopie
van het echtscheidingsconvenant overgelegd.
Bij een heronderzoek in 1993 wordt geconstateerd dat met de
uit het echtscheidingsconvenant voortvloeiende financiële
aanspraken geen rekening is gehouden. Op 20 januari 1994 wordt
schriftelijk aan eiseres medegedeeld dat vanaf 1 januari 1994
wel rekening zal worden gehouden met de uit hoofde van het
convenant te ontvangen bedragen.
Vervolgens wordt in de maand februari 1995 op de uitkering een
bedrag van f 539,-- in mindering
gebracht.".
De Raad voegt daaraan toe dat gedaagde met ingang van
1 september 1993 een bedrag van f 65,-- per maand op de
periodieke uitkering van appellante is gaan inhouden teneinde
de terugbetaling te effectueren van de bijstand die appellante
naar het oordeel van gedaagde over de periode van 15 december
1990 tot en met 31 december 1992 in verband met de ontvangst
van een bedrag van f 1.617,-- ter zake van de afkoop van
pensioen teveel had ontvangen.
Aangezien appellante zich niet met die inhouding kon
verenigen, is er een briefwisseling tussen partijen gevolgd
die heeft geresulteerd in de eerder vermelde brief van
gedaagde van 20 januari 1994, inhoudende dat tot 1 januari
1994 van terugvordering zal worden afgezien, dat de vanaf 1
september 1993 ingehouden bedragen zo spoedig mogelijk zullen
worden nabetaald en dat vanaf 1 januari 1994 wel met het te
ontvangen pensioen zal worden rekening gehouden omdat
pensioenaanspraken tot
de inkomsten behoren die op grond van artikel 9 van Pro het
Bijstandsbesluit landelijke normering (BLN) volledig op de
uitkering in mindering worden gebracht.
Omdat gedaagde zijn belofte om de ingehouden bedragen zo
spoedig mogelijk na te betalen, niet gestand deed, is hij
daaraan vanwege appellante bij brief van 25 maart 1994
herinnerd, waaraan is toegevoegd dat appellante van opvatting
blijft dat het jaarlijks uit te betalen bedrag van f 539,--
als ouderdomspensioen niet op de bijstandsuitkering in
mindering dient te worden gebracht.
Bij het bestreden besluit van 12 september 1995 heeft gedaagde
het bezwaar van appellante tegen de hoger vermelde inhouding
van het bedrag van f 539,-- op haar uitkering over de maand
februari 1995 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante tegen het besluit van 12 september 1995 ongegrond
verklaard. Zij heeft daartoe -in hoofdzaak- overwogen dat het
bedrag van f 539,-- dat appellante in november 1994 van haar
gewezen echtgenoot heeft ontvangen uit hoofde van afkoop van
tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken als inkomen
in de zin van artikel 9 van Pro het BLN dient te worden beschouwd
dat volledig op de bijstandsuitkering in mindering dient
te worden gebracht.
De Raad heeft het volgende overwogen.
Op grond van het tussen appellante en haar ex-echtgenoot op 24
april 1990 gesloten echtscheidingsconvenant had appellante bij
de echtscheiding onder meer recht op een bedrag van f 3.234,--
, zijnde haar aandeel in de contante waarde van de door haar
ex-echtgenoot opgebouwde pensioenaanspraken. Tussen appellante
en haar ex-echtgenoot
is overeengekomen dat die vordering aan appellante zal worden
voldaan door betaling van een bedrag van f 539,-- in zes
jaarlijkse termijnen, te beginnen op
15 december 1990.
Ingevolge artikel 1 van Pro de ABW wordt aan iedere Nederlander,
die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of
dreigt te geraken, dat hij niet over de middelen beschikt om
in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien,
bijstand verleend.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder b, van de ABW wordt bij
de beoordeling van de mate waarin een persoon of gezin
beschikt over middelen buiten beschouwing gelaten een
bescheiden vermogen dat geen bepaalde bestemming heeft. Dat
vermogen bedroeg ten tijde in dit geding van belang voor een
alleenstaande f 9.000,--.
Ingevolge artikel 9 van Pro het BLN worden in beginsel alle
inkomsten ten volle op de uitkering in mindering gebracht.
Naar het oordeel van de Raad dient een vordering van een
geldsbedrag, zoals in casu de vordering van (in 1990)
f 3.234,-- van appellante op haar ex-echtgenoot in verband
meer haar aandeel in de contante waarde van de door haar
ex-echtgenoot opgebouwde pensioenaanspraken, in het algemeen
te worden aangemerkt als een vermogensbestanddeel dat bij de
toetsing van artikel 7 van Pro de ABW in aanmerking dient te
worden genomen en niet als inkomen in de zin van artikel 9 van Pro
het BLN. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan dat in
het onderhavige geval anders zou zijn, is de Raad niet
gebleken. Met name is niet als zo'n bijzondere omstandigheid
aan te merken het feit dat appellante met haar ex-echtgenoot
is overeengekomen dat de vordering zal worden voldaan door
betaling gedurende zes jaren van een bepaald bedrag.
Aangezien gedaagde, gezien het vorenoverwogene, naar het
oordeel van de Raad het bedrag dat appellante in november 1994
van haar ex-echtgenoot ter aflossing van diens schuld aan haar
heeft ontvangen, ten onrechte als inkomen heeft aangemerkt,
kunnen de bestreden inhouding over februari 1995 noch het
bestreden besluit van 12 september 1995 in stand blijven.
Ook de aangevallen uitspraak dient gezien het vorenoverwogene
te worden vernietigd.
Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om gedaagde met
toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
te veroordelen in de proceskosten van appellante, die worden
begroot op f 1.420,-- voor de procedure in eerste aanleg en op
f 1.420,-- voor de procedure in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep in eerste aanleg alsnog gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit en de bestreden inhouding
over de maand februari 1995;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in
eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.420,-- en in hoger
beroep tot een bedrag groot f 1.420,-- door de gemeente
Heemskerk te betalen aan de griffier van de Raad;
Verstaat dat de gemeente Heemskerk aan appellante het gestorte
recht van in totaal f 200,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en
mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en
mr Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Berends als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9
december 1997.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) A.H. Berends.
EB/AS
312