Uitspraak
ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
MOTIVERING
BESLISSING
Centrale Raad van Beroep
Appellant, universitair docent aan de Technische Universiteit Eindhoven, werd ontslagen wegens ongeschiktheid en onbekwaamheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Dit ontslag volgde na conflicten binnen zijn vakgroep, onvoldoende onderzoeksprestaties en problematisch gedrag, waaronder het verspreiden van onjuiste informatie binnen de faculteit.
Na een periode van overplaatsing en overeenstemmingsrelaties met andere vakgroepen, waarin duidelijke werkafspraken en regelmatige gesprekken plaatsvonden, bleef appellant tekortschieten in zijn onderzoekstaken. Formele beoordelingen gaven aan dat zijn onderzoeksprestaties niet aan de eisen voldeden en dat zijn gedrag leidde tot verstoorde verhoudingen.
Appellant voerde diverse bezwaren aan, waaronder het ontbreken van functioneringsgesprekken en een medisch onderzoek voorafgaand aan het ontslag, maar deze werden door de Raad verworpen. Ook zijn verzoek tot vergoeding van kosten voor juridische bijstand werd afgewezen omdat de primaire besluitvorming geen ernstige gebreken vertoonde.
De Raad concludeert dat het ontslagrechtelijk oordeel over ongeschiktheid en onbekwaamheid rechtens houdbaar is en bevestigt de eerdere uitspraken van de rechtbank en de president van de Arrondissementsrechtbank.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens ongeschiktheid en onbekwaamheid wordt bevestigd en het verzoek tot vergoeding van rechtsbijstandskosten afgewezen.