ECLI:NL:CRVB:1998:AA8520
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voortzetting bijstandsuitkering na inwerkingtreding Koppelingswet
Verzoeker, met de Marokkaanse nationaliteit, vroeg bijstand aan bij de gemeente Amsterdam. Na een eerdere afwijzing en intrekking van het beroep, werd op 13 mei 1998 opnieuw een uitkering toegekend voor de periode tot 30 juni 1998. Met ingang van 1 juli 1998 trad de Koppelingswet in werking, die de aanspraak op bijstand koppelt aan het rechtmatig verblijf van vreemdelingen.
De president van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat verzoeker niet viel onder de categorie vreemdelingen met rechtmatig verblijf zoals bedoeld in de wet. Verzoekers argumenten voor een ruime uitleg van de wet werden verworpen, evenals de stelling dat sprake was van een overgangsregeling. Ook het feit dat het onduidelijk was of de wet op tijd in werking zou treden, leidde niet tot een andere beslissing.
De Raad concludeerde dat er geen voldoende grond was voor het treffen van een voorlopige voorziening en dat de uitkering per 1 juli 1998 terecht werd beëindigd. Tevens werd vastgesteld dat verzoeker niet in een noodsituatie verkeerde die onmiddellijke bijstand vereiste.
Uitkomst: Het verzoek om voortzetting van de bijstandsuitkering na 1 juli 1998 wordt afgewezen vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf.