ECLI:NL:CRVB:1998:AA8543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- H. Bekker
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Ontslag beroepsmilitair wegens drugsgebruik en leugenachtig gedrag niet rechtsgeldig
Appellant werd ontslagen uit het beroepspersoneel der zeemacht nadat hij tijdens zijn initiële opleiding was betrapt op het gebruik van softdrugs. Het ontslagbesluit was aanvankelijk gebaseerd op het drugsgebruik, maar na bezwaar werd dit gewijzigd en werd leugenachtig gedrag als voornaamste ontslaggrond aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het leugenachtige gedrag een redelijke grond vormde voor ontslag. Appellant stelde in hoger beroep dat deze wijziging van de ontslaggrond ontoelaatbaar was en dat het besluit in strijd was met de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad oordeelde dat het niet is toegestaan dat een aanvankelijk niet-relevante grond in de loop van de procedure het voornaamste ontslagmotief wordt. Het leugenachtige gedrag kon daarom niet als dragende grond worden aanvaard. Het ontslag ontbeerde daardoor voldoende feitelijke grondslag en het besluit werd vernietigd.
Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, reiskosten en verletkosten van appellant. De Raad vernietigde zowel het primaire ontslagbesluit als de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van appellant gegrond.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wordt vernietigd wegens ontoelaatbare wijziging van ontslaggrond en onvoldoende feitelijke onderbouwing.