ECLI:NL:CRVB:1998:AA8650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. 't Hooft
- D.J. van der Vos
- Th.M. Schelfhout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beleidsnormen voor vervoersvoorzieningen aan bewoners van AWBZ-instellingen
Appellante, een lichamelijk en geestelijk gehandicapte bewoner van een AWBZ-instelling, maakte bezwaar tegen het door de gemeente toegekende vervoersbedrag van f 870 per jaar, aangevuld met een overbruggingsuitkering. Zij stelde dat dit bedrag onvoldoende was om het noodzakelijke weekendvervoer naar haar ouders te bekostigen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. De Raad beperkte zijn oordeel tot de vraag of de rechtsgevolgen gehandhaafd konden blijven gezien het toepasselijke normenstelsel, dat ook bovenregionaal weekendvervoer omvat.
De Raad oordeelde dat het normenstelsel niet in strijd is met artikel 3 van Pro de WVG, omdat het een pragmatische benadering hanteert en een afwijkend normbedrag voor bewoners van AWBZ-instellingen toestaat. De afstandsgrens van 40 kilometer tot de ouderlijke woning werd niet als onaanvaardbaar beschouwd.
Wel erkende de Raad bijzondere omstandigheden, zoals het ontbreken van eigen vervoer en de gezondheid van appellantes vader, maar vond dat het toegekende bedrag van f 1.500 in 1996, inclusief overbruggingsuitkering en hulp van familie, voldoende tegemoetkwam aan haar situatie.
Daarom bevestigde de Raad de aangevallen uitspraak en handhaafde de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het beleid en handhaaft de toegekende vervoersvergoeding van f 1.500 voor 1996 aan appellante.