ECLI:NL:CRVB:1998:AA8651
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging AAW-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellante, geboren in 1941, diende in 1988 een aanvraag in voor een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), omdat zij zich sinds haar geboorte geheel arbeidsongeschikt achtte. Aanvankelijk werd haar een uitkering toegekend met als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 11 april 1958. In 1993 besloot het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) de uitkering te beëindigen per 1 januari 1994, omdat zij volgens hen geen inkomen had verworven in het jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid, die zij stelden in te zijn getreden op 1 januari 1971.
De rechtbank Zutphen verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd aangenomen dat zij niet als jeugdgehandicapte kon worden beschouwd en dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 1 januari 1971 was. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel als jeugdgehandicapte moest worden aangemerkt en dat haar arbeidsongeschiktheid eerder was ingetreden, namelijk op 3 januari 1968.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het besluit van 6 februari 1969, waarin appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht, niet zonder meer betekent dat zij op die datum arbeidsgeschikt was in de zin van de AAW. De medische en arbeidskundige onderbouwing van het Lisv was ontoereikend, mede omdat belangrijke rapporten ontbraken en de medische gegevens wijzen op beperkingen vóór 1971. Daarom werd het besluit vernietigd, het beroep alsnog gegrond verklaard en het Lisv veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de AAW-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.