ECLI:NL:CRVB:1998:AA8685
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van rangtoekenning en tijdelijke bevordering bij militaire functie in VN-vredesmissie Bosnië
Appellant, sergeant van de mariniers algemeen, werd aangewezen voor een functie binnen het detachement Koninklijke marine Bosnië-1, waarvoor volgens het bestuur de rang van sergeant was verbonden. Appellant stelde dat de functie de rang van sergeant-majoor vereiste en dat hij ten onrechte niet definitief bevorderd was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat aan de functie inderdaad de hogere rang van sergeant-majoor was verbonden. Volgens artikel 27, derde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) moet die rang vanaf het begin van de functie worden toegekend. De Raad oordeelde dat artikel 27, vierde lid, dat tijdelijke bevordering regelt, hier niet van toepassing was.
De Raad vernietigde het eerdere besluit en bepaalde dat gedaagde een nieuw besluit moet nemen waarbij de hogere rang definitief wordt toegekend. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten en werd appellant het griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot tijdelijke bevordering wordt vernietigd en appellant krijgt de hogere rang van sergeant-majoor toegekend vanaf de datum van functievervulling.