ECLI:NL:CRVB:1998:AA8700

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 september 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
97/1492 ZFW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.I. 't Hooft
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake vergoeding medische kosten voor behandeling in Duitsland onder Ziekenfondswet

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellant A, die in beroep is gegaan tegen een besluit van de Stichting Centrale Zorgverzekeraars, waarbij hem de vergoeding voor een medische behandeling in Duitsland werd geweigerd. De zaak begon met een brief van 11 juli 1995, waarin appellant op de hoogte werd gesteld van het besluit om de vergoeding te weigeren. De Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad adviseerde op 8 maart 1996 dat het besluit juist was. De Arrondissementsrechtbank te Middelburg verklaarde op 23 december 1996 het beroep ongegrond. Appellant, vertegenwoordigd door zijn advocaat mr. D.A.H. Veldhof, ging in hoger beroep en vroeg de Raad om de eerdere uitspraak te vernietigen en de kosten van de behandeling in Duitsland te vergoeden.

De Raad voor de Rechtspraak behandelde de zaak op 6 februari 1998 en 18 augustus 1998. Appellant was beide keren aanwezig, maar gedaagde verscheen niet. De Raad concludeerde dat gedaagde niet onredelijk had gehandeld door de vergoeding te weigeren. De Raad baseerde zijn oordeel op de medische gegevens en de omstandigheden van de zaak, waarbij werd vastgesteld dat de behandelingen die appellant in Duitsland had ondergaan, ook in Nederland hadden kunnen plaatsvinden. De Raad oordeelde dat de weigering van gedaagde om toestemming te verlenen voor de behandeling in Duitsland gerechtvaardigd was, gezien het experimentele karakter van de behandelingsmethodiek die door de Duitse arts was toegepast.

Uiteindelijk bevestigde de Centrale Raad van Beroep de eerdere uitspraak van de Arrondissementsrechtbank, wat betekent dat appellant geen recht had op vergoeding van de kosten van de behandeling in Duitsland. De Raad merkte op dat dit niet betekende dat appellant de behandeling niet als heilzaam had ervaren, maar dat gedaagde niet verplicht was de kosten te vergoeden.

Uitspraak

97/1492 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A te B, appellant,
en
Stichting Centrale Zorgverzekeraars, groep Ziekenfonds, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 11 juli 1995 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van het bij en krachtens de Ziekenfondswet genomen besluit waarbij is geweigerd hem in aanmerking te brengen voor vergoeding van een medische behandeling in Duitsland.
De Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft bij brief van 8 maart 1996 het advies uitgebracht dat zij dit besluit juist acht.
De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 23 december 1996 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr D.A.H. Veldhof, advocaat te Goes, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en daarentegen, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de door appellant gemaakte kosten terzake de door hem ondergane behandeling in Duitsland (inclusief de operaties d.d. 8 mei respectievelijk 27 november 1995) alsnog door gedaagde zullen worden vergoed.
Gedaagde heeft op 3 oktober 1997 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 februari 1998, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Veldhof, voornoemd, als zijn raadsman, en waar gedaagde, na voorafgaande kennisgeving, niet is verschenen.
In het kader van de heropening van het onderzoek heeft de medisch adviseur van gedaagde bij brief van 14 april 1998 (met bijlage) desverzocht nadere inlichtingen verstrekt.
Appellant heeft bij brief van 20 april 1998 hierop gereageerd.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 augustus 1998, waar appellant is verschenen als ter zitting van 6 februari 1998 en waar gedaagde opnieuw niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de medische en overige gedingstukken de navolgende feiten en omstandigheden.
Vanwege al sedert 1973 bestaande rugklachten waarvoor appellant in Nederland zonder afdoend resultaat een tweetal operaties had ondergaan, heeft hij zich in februari 1994 gewend tot prof. dr. med. U. Rodegerdts te Langen (Duitsland). Op 11 mei 1994 heeft appellant gedaagde verzocht hem in aanmerking te brengen voor vergoeding van de kosten verbonden aan de in Duitsland uit te voeren rugoperatie. De medisch adviseur van gedaagde heeft appellant bij brief van 9 juni 1994, na toetsing van appellants verzoek aan het bepaalde in artikel 9, vierde lid van de Ziekenfondswet en artikel 22 van de EEG Verordening 1408/71 bericht dat vooralsnog niet tot vergoeding zou worden overgegaan.
Bij brief van 15 juni 1995 heeft appellants gemachtigde, onder overlegging van een schrijven van de kliniek van prof. Rodegerdts, alsnog om vergoeding van de behandeling van appellant in deze kliniek verzocht. Uit evenvermeld schrijven blijkt dat bij appellant cervicale myelopathie en osteochondrose in hals en rug was geconstateerd, dat hij reeds onderzocht was ter uitsluiting van een neurologisch lijden en dat spondylodese was verricht bij een tweetal halswervels. Bij het bestreden besluit heeft appellant toestemming voor behandeling in Duitsland geweigerd en met betrekking tot de reeds ondergane operatie aan de nek overwogen dat die behandeling ook in Nederland verleend had kunnen worden. In november 1995 is appellant vervolgens door prof. Rodegerdts in Duitsland aan zijn rug geopereerd waarbij zijn wervelkolom is vastgezet met behulp van een metalen implantaat.
Ter beantwoording is de vraag of gezegd moet worden dat gedaagde niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven (supra)nationale rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel door toestemming aan appellant te onthouden om op haar kosten in Duitsland bij prof. Rodegerdts medisch te worden behandeld. Die vraag beantwoordt de Raad in al zijn onderdelen ontkennend.
Onder verwijzing naar hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn aan partijen bekend zijnde uitspraak van 19 december 1997 (geregistreerd onder nr. 97/2470 ZFW) omtrent het experimentele karakter van de door prof. Rodegerdts ontwikkelde behandeling van rugklachten middels vastzetten van de wervelkolom met behulp van een metalen implantaat, moet de Raad vaststellen dat ook in het onderhavige geval, gelet op de hiervoor vermelde toetsingsmaatstaf, hierin voldoende grond is gelegen om de weigering van gedaagde om voor die behandeling toestemming te verlenen, in stand te laten. Van de zijde van appellant is ook niet met gegevens van medische of andere aard aangegeven dat ten tijde hier in geding naar gangbare medische maatstaven onder beroepsbeoefenaren in Nederland de opvatting omtrent het experimentele karakter van evenvermelde behandelingsmethodiek van prof Rodegerdts zou zijn verlaten.
Met betrekking tot de aan voormelde rugoperatie voorafgegane medische onderzoeken en de operatie aan de hals in Duitsland ontleent de Raad aan de daaromtrent beschikbare gegevens van medische aard dat geenszins sprake was van medische handelingen die, indien geïndiceerd, in Nederland niet hadden kunnen plaatsvinden. De omstandigheid dat appellant deze behandeling in Nederland niet heeft kunnen verkrijgen omdat van bevoegde medische zijde daarvoor kennelijk geen indicatie werd gezien, doet hieraan niet af. Niet in geschil is immers dat die behandeling is ingezet met het oog op de nadien uit te voeren operatie aan de rug van appellant. Nu laatstgenoemde ingreep, gelijk hiervoor is overwogen, niet ten laste van gedaagde kan worden gebracht, geldt zulks evenzeer voor de daaraan voorafgegane en uitsluitend met het oog op die ingreep verrichte medische handelingen.
In de hiervoor reeds genoemde uitspraak heeft de Raad ten aanzien van de toetsing aan artikel 22 van de EEG Verordening 1408/71 overwogen dat het experimentele karakter van de operatieve ingreep van prof. Rodegerdts er aan in de weg staat dat gesproken kan worden van een noodzakelijke en doeltreffende therapie voor de ziekte of aandoening waaraan de betrokkene lijdt op grond waarvan de gevraagde toestemming niet kan worden onthouden. Naar in het hiervoor overwogene reeds ligt besloten ziet de Raad in het onderhavige geval geen reden daarover thans anders te oordelen.
Hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd en doen aanvoeren heeft de Raad geen aanknopingspunt gegeven het bestreden besluit voor onjuist te houden.
Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Ter voorlichting van appellant merkt de Raad nog op dat hetgeen hiervoor is overwogen niet betekent dat de Raad zou (willen of kunnen) ontkennen dat appellant de door hem ondergane behandeling in Duitsland niet als heilzaam heeft ervaren. Gelet op het eerderoverwogene met betrekking tot de gangbare medische maatstaven onder beroepsbeoefenaren ten tijde hier in geding, kan de Raad evenwel niet tot een ander oordeel komen dan dat gedaagde in het onderhavige geval niet verplicht is de aan die behandeling verbonden kosten voor haar rekening te nemen.
Tenslotte overweegt de Raad nog geen termen aanwezig te achten om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van D. Nebbeling als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 september 1998.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) D. Nebbeling.