ECLI:NL:CRVB:1998:AA8703

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
97/2186 WVG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
  • Ch.J.G. Olde Kalter
  • Th.M. Schelfhout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WVGArt. 8:75 AwbArt. 22 lid 3 Beroepswet
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling adequaatheid collectief vervoer als voorziening voor gehandicapte met beperkte mobiliteit

Gedaagde, als gevolg van een hersenbloeding en herseninfarct linkszijdig verlamd, vroeg om een individuele vervoersvoorziening. De gemeente Emmen wees dit af en kende alleen het recht op collectief vervoer toe. Gedaagde maakte bezwaar en de rechtbank verklaarde het besluit vernietigd omdat collectief vervoer geen adequate voorziening is gezien zijn specifieke situatie.

In hoger beroep handhaafde de gemeente haar standpunt dat collectief vervoer voldoende is. Gedaagde stelde dat het collectief vervoer niet geschikt is voor zijn zorgtaken, zoals het brengen van jonge kinderen naar school en verenigingen. De Raad concludeerde dat gedaagde door zijn beperkte mobiliteit vrijwel altijd afhankelijk is van gemotoriseerd vervoer en dat collectief vervoer onder deze omstandigheden geen verantwoorde voorziening is.

De Raad benadrukte dat een gehandicapte een vervoersvoorziening moet krijgen die deelname aan het dagelijks leven binnen het woon- en leefmilieu mogelijk maakt, inclusief zorgtaken. De Raad bevestigde het vernietigen van het bestreden besluit en stelde dat de gemeente een nieuw besluit moet nemen over de kilometervergoeding. Tevens werd een recht van €630 geheven.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de gemeente dient een nieuw besluit te nemen over de kilometervergoeding.

Uitspraak

97/2186 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van Burgemeester en Wethouders van de
gemeente Emmen, appellant,
en
A te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 14 februari 1996, verzonden 26 februari 1996, is gedaagde vanwege appellant onder meer in kennis gesteld van het besluit waarbij is geweigerd hem in aanmerking te brengen voor een individuele vervoersvoorziening en hem het recht op deelname aan het collectief vervoer is toegekend. Dit besluit is genomen in het kader van de op de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) steunende Verordening voorzieningen gehandicapten van de gemeente Emmen (de Verordening).
Appellant heeft het bezwaar van gedaagde tegen dit besluit bij besluit van 26 juni 1996, verzonden 9 juli 1996, ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 20 januari 1997 het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep gegrond verklaard.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft bij schrijven van 23 maart 1998 (met bijlagen) van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 september 1998, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr T.J. de Wind en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote].
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren in 1950, is als gevolg van een hersenbloeding op 28 september 1992 en een herseninfarct op 24 december 1992 linkszijdig verlamd. In het kader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet heeft appellant verzocht om vergoeding van de kosten van aanpassing van zijn auto aan zijn handicap. De toenmalige Gemeenschappelijke Medische Dienst heeft in 1993 hierop positief geadviseerd. In verband met de invoering van de WVG per 1 april 1994 waarbij aan de gemeenten onder meer de zorgplicht werd opgedragen om vervoersvoorzieningen voor gehandicapten te realiseren, is aan voormeld advies door de toenmalige bevoegde bedrijfsvereniging geen uitvoering gegeven. Nadien heeft gedaagde zijn auto op eigen kosten laten aanpassen.
Op 7 december 1995 heeft gedaagde bij appellant een aanvraag ingediend voor een kilometervergoeding. Bij het bestreden besluit heeft appellant het besluit in primo van 14 februari tot afwijzing van de gevraagde vergoeding en tot toekenning van het recht op deelname aan collectief vervoer gehandhaafd.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat het collectief vervoer, gezien gedaagdes specifieke omstandigheden, voor hem geen adequate voorziening is.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat het collectief vervoer voor gedaagde een adequate voorziening is en in zijn vervoersbehoefte voorziet.
Gedaagde heeft, evenals in eerste aanleg, in hoger beroep er onder meer op gewezen dat tot zijn gezin nog jonge kinderen behoren, die hij naar school brengt, naar verenigingen en naar vriendjes en aangevoerd dat collectief vervoer daarvoor niet geschikt is.
De Raad overweegt als volgt.
Uit het ten behoeve van de gevraagde AAW-vervoersvoorziening uitgebrachte rapport van 28 april 1993 van de verzekeringsgeneeskundige R. Moed blijkt dat naar zijn opvatting gedaagde met voetopvang maximaal honderd meter kon lopen. Aan het door de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zuidoost-Drenthe verricht geneeskundig onderzoek ontleent de Raad dat gedaagde in staat wordt geacht enkele honderden meters te lopen, zij het niet onafgebroken.
Hieruit leidt de Raad af dat er bij gedaagde ten tijde hier van belang sprake was van een zodanig beperkte mobiliteit, dat hij voor vrijwel iedere verplaatsing buitenshuis op enigerlei vorm van gemotoriseerd vervoer was aangewezen.
Onder verwijzing naar zijn eerder gevormde jurisprudentie (vide USZ 1997, 53 en RSV 1998/118) overweegt de Raad dat dat gegeven er onder omstandigheden toe kan leiden dat een vervoersvoorziening uitsluitend bestaande uit collectief vervoer, geen verantwoorde voorziening in de zin van artikel 3 van Pro de WVG is.
Naar de Raad reeds vele keren heeft overwogen dient een gehandicapte bij wijze van vervoersvoorziening een zodanige tegemoetkoming worden geboden dat hij binnen het naaste woon- en leefmilieu nog in aanvaardbare mate aan het leven van alle dag kan deelnemen. Daartoe rekent de Raad in een geval als het onderhavige waarin het gaat om een gehandicapte met een uiterst beperkte mobiliteit, in beginsel mede de vervoersbehoefte van gedaagde die voortspruit uit voormelde zorgtaken ten behoeve van zijn kinderen, in relatie tot de bijdragen daarin die van gedaagdes niet buitenshuis werkende echtgenote dan wel van andere daartoe in redelijkheid in aanmerking komende betrokkenen, mag worden gevergd.
Reeds omdat appellant dit aspect in zijn besluitvorming niet heeft meegewogen kan het bestreden besluit niet in stand blijven. De aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit is vernietigd, komt derhalve, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking. Appellant zal met inachtneming van het hiervoor overwogene een nieuw besluit dienen te nemen op het bezwaar van gedaagde tegen de afwijzing van de gevraagde kilometervergoeding.
Van kosten die voor vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in aanmerking komen, is de Raad niet gebleken.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant een recht van
¦ 630,-- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant een nader besluit op het bezwaar van gedaagde zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Verstaat dat van appellant een recht van ¦ 630,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr D.J. van der Vos als voorzitter en mr Ch.J.G. Olde Kalter en mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr M. van 't Klooster als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 december 1998.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M. van 't Klooster.