De rechtbank heeft haar beslissing doen steunen op de volgende overwegingen:
"Voorop moet worden gesteld, dat de kosten van
rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedure niet op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, is de rechtbank echter bevoegd in de bestuursrechtelijke procedure schadevergoeding toe te kennen voor schade die het gevolg is van hetzij het primaire besluit, hetzij van de beslissing op bezwaarschrift.
Ook hier geldt dat, nu de Awb het begrip schade en de gronden voor vergoeding daarvan niet nader bepaalt, voor zoveel nodig aansluiting moet worden gezocht bij de desbetreffende bepalingen in het BW. Beoordeeld moet derhalve worden of het primaire besluit jegens eiseres onrechtmatig was en of verweerder gehouden is de daaruit voor eiseres voortvloeiende schade te vergoeden.
De CRvb aanvaardt blijkens zijn uitspraak van 24 januari 1995 (JB 1995/47; AB 1995/233) een aansprakelijkheid voor het bestuursorgaan die minder ver gaat dan de in dit verband ontwikkelde civielrechtelijke jurisprudentie zou meebrengen.
Volgens de Raad is het bestuursorgaan eerst gehouden de vorenbedoelde kosten te vergoeden, indien de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig primair besluit heeft genomen. Verweerders, onder III.11 weergegeven, standpunt is kennelijk op deze rechtspraak gebaseerd.
Het door de CRvb benadrukte gegeven, dat de bezwaarfase mede strekt tot herstel van fouten, kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet rechtvaardigen dat indien het primaire besluit bij de beslissing op bezwaarschrift wordt gehandhaafd en deze beslissing in beroep door de rechter wordt vernietigd, de door de belanghebbende in bezwaar gemaakte kosten en geleden schade voor diens eigen rekening dienen te blijven. Waar dat tijdig herstel van fouten is uitgebleven, heeft de bezwaarfase immers juist niet aan zijn door de wetgever beoogde doel beantwoord. Voor een dergelijk geval bestaat dan ook geen goede grond voor het oordeel dat het betrokken bestuursorgaan slechts dán tot schadevergoeding gehouden is, indien aan het door de CRvb ontwikkelde "tegen beter weten in"-criterium is voldaan.
In dat geval dient - in het voetspoor van de op dit punt ontwikkelde burgerlijkrechtelijke rechtspraak
- tot uitgangspunt te worden genomen dat de in het nemen en handhaven van een dergelijk, in beroep onjuist bevonden, besluit gelegen onrechtmatige daad tot schadevergoeding verplicht en dat die vergoedingsverplichting ook de door belanghebbende in de bezwaarfase gemaakt kosten en geleden schade omvat, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen die eraan in de weg staan te oordelen dat met het nemen en handhaven van dat besluit ook de schuld van het bestuursorgaan is gegeven.
In de Awb zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat met de invoering daarvan een breuk met de onder het voordien geldende recht ontwikkelde rechtspraak van de Hoge Raad op zijn plaats is voor wat betreft de in de bezwaarfase door de belanghebbende gemaakte kosten en geleden schade. Bij gebrek aan dergelijke aanknopingspunten in de Awb zelf, kan de wetsgeschiedenis waar de CRvb het oog op heeft - voor zover daarin al wél bedoelde aanknopingspunten zijn te vinden voor gevallen waarin het bestuursorgaan nu juist heeft nagelaten zijn fouten in bezwaar te herstellen - niet tot een ander oordeel leiden.
Er bestaat dus naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor deze gevallen de aanknoping bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht los te laten.
De vraag welke betekenis aan de hier bedoelde strekking van de bezwaarfase - gelegenheid tot herstel van fouten - moet worden toegekend in die gevallen waarin het bestuursorgaan in bezwaar van deze gelegenheid wél gebruik heeft gemaakt en geheel of gedeeltelijk is teruggekomen op het primaire besluit, kan in dit geding in het midden blijven.
In het onderhavige geval heeft verweerder eiseres bij (lees:) het bestreden besluit primair niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar en subsidiair de primaire afwijzende beslissing op het verzoek om schadevergoeding gehandhaafd. Nu is komen vast te staan dat de beslissing op bezwaar in zijn beide onderdelen geen stand kan houden, moet dit besluit worden gelijkgesteld met de hiervoor bedoelde gevallen, waarin in de bezwaarschriftfase niet tot herstel van de aan het primaire besluit klevende fouten is overgegaan.
De slotsom luidt dat verweerder in het onderhavige geval is gehouden de door eiseres in de bezwaarfase gemaakte kosten en geleden schade te vergoeden. Bijzondere omstandigheden die tot het oordeel zouden nopen dat verweerder geen schuld heeft aan het nemen en het handhaven van het primaire besluit zijn gesteld noch gebleken.".