ECLI:NL:CRVB:1998:AA8803

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
96/9395 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
  • M.A. Hoogeveen
  • Chr. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47a ZWAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging schorsing Ziektewetuitkering wegens vermoedelijk fictief dienstverband

Appellante ontving vanaf 13 april 1994 een uitkering krachtens de Ziektewet. Na 11 april 1995 werd de uitbetaling van het ziekengeld geschorst, hoewel zij zwanger was en eind mei 1995 beviel. De schorsing werd gebaseerd op een vermoeden dat appellante geen recht meer had op ziekengeld, omdat twijfel bestond over het bestaan van een dienstbetrekking bij X bouwcombinatie B.V.

De Raad oordeelde dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd was om de uitbetaling op te schorten in afwachting van nader onderzoek, mede gesteund door artikel 47a, derde lid, ZW. Appellante had onvoldoende bewijs geleverd voor het dienstverband en had niet voldaan aan verzoeken om relevante documenten te overleggen.

De Raad verwierp het beroep van appellante en bevestigde het bestreden besluit. Er was geen reden tot proceskostenveroordeling. Hoewel het besluit tot ontzegging van het recht op uitkering na 11 april 1995 nog niet formeel was genomen, kon dit niet leiden tot vernietiging van de schorsing. Appellante had de mogelijkheid een voorlopige voorziening te vragen tijdens het beroep.

Tenslotte werd vermeld dat het teruggevorderde ziekengeld over de periode 12 april 1994 tot en met 11 april 1995 inmiddels door bezwaar ongegrond was verklaard en dat tegen die beslissing geen beroep was ingesteld.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de schorsing van de Ziektewetuitkering wegens een gegrond vermoeden van een fictief dienstverband.

Uitspraak

96/9395 ZW Q.
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, (thans) wonende te B, appellante,
en
het Landelijke instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Namens appellante heeft mr C.L.M. Gommers, advocaat te Breda, op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 13 augustus 1996 gegeven uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Breda, waarnaar hier wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend, gedateerd 10 maart 1997.
Bij brief van 16 februari 1998 heeft mr Gommers, voornoemd, doen weten niet langer als gemachtigde van appellante op te treden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 maart 1998, waar appellante met voorafgaand bericht niet is verschenen en waar gedaagde, vanwege de Raad opgeroepen te verschijnen, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J. de Jong, werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V.
II. MOTIVERING
Appellante heeft bij brief van 2 maart 1998 verzocht de behandeling van het geding uit te stellen omdat haar raadsman die dag zou zijn verhinderd. De Raad ziet geen aanleiding dat verzoek te honoreren, reeds omdat na het terugtreden van mr Gommers zich in dit geding geen gemachtigde heeft gesteld, hoewel uit vorenvermelde brief d.d. 16 februari 1998 van mr Gommers moet worden afgeleid dat appellante zich reeds in augustus 1997 tot een andere advocaat had gewend en dat mr Gommers een afschrift van de uitnodiging voor de zitting aan die advocaat heeft toegezonden.
Aan appellante is ingaande 13 april 1994 uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) toegekend. Na 11 april 1995 is geen ziekengeld meer betaald, hoewel sprake was van zwangerschap en appellante eind mei 1995 is bevallen.
Bij brief van 9 mei 1995 heeft gedaagde appellante het volgende meegedeeld:
"Uit een onderzoek is gebleken, dat u vermoedelijk op grond van een fictief dienstverband een uitkering krachtens de Ziektewet hebt genoten omdat u in het geheel niet in dienst bent geweest van werkgever X bouwcombinatie B.V. te Y.
(...)
De mogelijkheid is niet uitgesloten dat in verband hiermede uw ZW-uitkering moet worden ingetrokken.
Met ingang van 12-4-1995 zal aan u niets worden uitbetaald.
Zodra het onderzoek is afgerond, zullen wij ter zake van uw recht op uitkering een nadere beslissing nemen en u daarover inlichten.
(...)."
Deze mededeling behelst de schorsing van de uitbetaling van het ziekengeld en is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft gedaagde ondanks het ontbreken van een uitdrukkelijke wetsbepaling bevoegd geacht om tot schorsing dan wel opschorting over te gaan, indien gerede twijfel bestaat over het recht op uitkering en in afwachting van een onderzoek.
Naar het oordeel van de Raad is in het onderhavige geval sprake van een gegrond vermoeden dat appellante geen recht meer heeft -noch had- op ziekengeld. Uit met name de door A.F.J. Franken, buitendienstfunctionaris bij gedaagde, opgemaakte rapporten blijkt namelijk dat ernstig betwijfeld moet worden of appellante voor haar ziekmelding werkzaam is geweest voor X bouwcombinatie B.V. en of een dienstbetrekking in werkelijkheid heeft bestaan. Naar het oordeel van de Raad verzetten de bepalingen van de ZW zich er niet tegen dat in een dergelijke geval, in afwachting van nader onderzoek, de betaling van het ziekengeld als hier aan de orde wordt geschorst of opgeschort. Dit standpunt is bovendien in lijn met artikel 47a, derde lid, ZW, dat bij Wet van 24 december 1997 (Veegwet SZW 1997, Stb. 789) is inge-voerd (in werking getreden) met ingang van 31 december 1997 en dat in die mogelijkheid uitdrukkelijk voorziet.
Omtrent hetgeen namens appellante voorts is aangevoerd, heeft de Raad het volgende overwogen.
Appellante werd al in januari 1995 verzocht bescheiden te overhandigen waaruit het bestaan van het dienstverband en de hoogte van het verdiende inkomen kon worden opgemaakt. Daarbij is zij blijkens het rapport d.d. 18 januari 1995 gewezen op het belang van het verstrekken van die gegevens. Dergelijke gegevens heeft zij gedaagde niet verschaft. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante moeten begrijpen dat dit gevolgen kon hebben voor het recht op uitkering. Het standpunt van de gemachtigde van appellante dat het bestreden besluit in strijd is met de rechtszekerheid, kan de Raad dan ook niet onderschrijven.
Aan de gemachtigde van appellante kan tenslotte worden toegegeven dat een besluit waarbij appellante het recht op uitkering na 11 april 1995 is ontzegd, -nog steeds- niet voorhanden is. Daaraan kan de Raad in het onder-havige geval echter niet het gevolg verbinden dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het had appellante vrijgestaan een voorlopige voorziening te vragen hangende het onderhavige (hoger) beroep. Gedaagde heeft voorts, na voltooiing van het uitgebreide opsporingsonderzoek in december 1996 en met redelijke voortvarendheid nadien, een nadere beslissing genomen met betrekking tot het recht op uitkering over de periode van 12 april 1994 tot en met 11 april 1995. Bij beschikking van 24 april 1997 is het over die periode betaalde ziekengeld teruggevorderd. Naar vanwege gedaagde ter zitting van de Raad is meegedeeld, is het daartegen ingediende bezwaar inmiddels ongegrond verklaard, terwijl tegen dat besluit geen beroep is ingesteld.
Hetgeen namens appellante overigens nog is betoogd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, is de Raad tot de slotsom gekomen dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.
Beslist wordt als hierna is aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr M.A. Hoogeveen en mr Chr. van Voorst als leden, in tegenwoordigheid van M.B. Verburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 april 1998.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) M.B. Verburg.