ECLI:NL:CRVB:1998:AA9003
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.G. Kasdorp
- Ch. de Vrey
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met bloedverwant tweede graad
Appellant ontving een bijstandsuitkering en woonde samen met zijn broer, een bloedverwant in de tweede graad, met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde. De uitkering werd beëindigd omdat het inkomen van zijn broer de bijstandsnorm overschreed. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
Appellant voerde aan dat het onderscheid in de Algemene bijstandswet tussen bloedverwanten in de eerste en tweede graad bij het bepalen van een gezamenlijke huishouding discriminerend was. De Raad oordeelde dat de rechter niet over de grondwettigheid van wetten mag oordelen, maar dat wel moest worden getoetst aan internationale verdragen, met name artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
De Raad concludeerde dat het onderscheid tussen bloedverwanten eerste en tweede graad op redelijke en objectieve gronden berust, met name vanwege de wederzijdse afhankelijkheid en onderhoudsverplichtingen tussen ouders en kinderen die niet gelden voor bloedverwanten in de tweede graad. Het beroep op discriminatie faalde en de beëindiging van de uitkering werd bevestigd.
Uitkomst: De beëindiging van de bijstandsuitkering is bevestigd en het beroep op discriminatie wordt verworpen.