ECLI:NL:CRVB:1998:AB2280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Ch. de Vrey
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging bijstandsuitkering na wijziging vermogen en gezinsstatus
Appellante ontving sinds 1980 een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW). Na ontvangst van een erfenis in 1995 besloot de gemeente Enschede haar uitkering per 1 februari 1995 te beëindigen omdat haar vermogen het vrij te laten bescheiden vermogen aanzienlijk oversteeg. Appellante vroeg eind 1995 opnieuw bijstand aan, maar deze aanvraag werd afgewezen omdat haar vermogen nog steeds te hoog was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat bij een nieuwe aanvraag het vrij te laten vermogen opnieuw moet worden vastgesteld. Omdat de studerende dochter van appellante op 1 januari 1996 niet langer als ten laste komende werd aangemerkt, gold voor appellante het lagere vrij te laten vermogen voor een alleenstaande.
Appellante voerde aan dat het vrij te laten vermogen slechts eenmaal vastgesteld hoeft te worden en dat zij op grond van een brief van de gemeente gerechtvaardigd vertrouwen had op hernieuwde bijstand. De Raad verwierp dit beroep op het vertrouwensbeginsel omdat er geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering wegens overschrijding van het vrij te laten vermogen en wijziging in gezinsstatus.