ECLI:NL:CRVB:1998:BJ5444
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J.H. van Kreveld
- H.M.J.I. Steenbergen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging disciplinaire straf ongevraagd ontslag ambulanceverpleegkundige wegens plichtsverzuim
De zaak betreft een ambulanceverpleegkundige die op 8 september 1993 een vervoersopdracht ontving om een patiëntje onder begeleiding van een kinderarts te vervoeren naar het Wilhelmina Kinderziekenhuis. De verpleegkundige besloot echter zelfstandig zonder aanwezigheid van de arts te vertrekken, waarbij hij een dilemma stelde tussen tijdige aankomst en het meereizen van de arts.
De bestuurscommissie legde hem daarop de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag op, onder voorwaarde dat deze straf niet wordt uitgevoerd indien hij zich twee jaar lang niet schuldig maakt aan soortgelijk of ander ernstig plichtsverzuim. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat zij oordeelde dat geen sprake was van plichtsverzuim.
De Centrale Raad van Beroep herzag dit oordeel en stelde vast dat de opdracht van de centrale meldpost een dienstopdracht was die zonder beoordelingsvrijheid moest worden uitgevoerd. Het niet naleven van deze opdracht, namelijk het vervoer zonder arts, kwalificeert als plichtsverzuim. De Raad achtte de opgelegde straf niet onevenredig en verwierp het beroep van de verpleegkundige.
De Raad benadrukte dat zelfstandigheid van de ambulanceverpleegkundige binnen de grenzen van de gegeven opdracht moet blijven en dat het aan de verpleegkundige was om bij twijfel contact te zoeken met de centrale meldpost of arts. De discussie over medische details achteraf was irrelevant voor de beoordeling van het plichtsverzuim.
Hiermee werd het primaire beroep van de verpleegkundige ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: De disciplinaire straf van ongevraagd ontslag tegen de ambulanceverpleegkundige wordt bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.