ECLI:NL:CRVB:1998:BJ5449
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Ontslag ambtenaar wegens plichtsverzuim niet gerechtvaardigd wegens onvoldoende bewijs ontucht en bedreiging
Appellant, een politieambtenaar, werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim, gebaseerd op beschuldigingen van ontucht, bedreiging en hinderlijk volgen van minderjarige meisjes, alsmede ander plichtsverzuim zoals het raadplegen van politiedocumentatiesystemen zonder autorisatie en het verhullen van een getuigenverklaring.
De rechtbank had het ontslag bevestigd, stellende dat ontoelaatbaar gedrag jegens drie van de vier meisjes voldoende aannemelijk was. De strafrechter sprak appellant echter vrij van de strafrechtelijke verdenkingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de gedragingen ten aanzien van de minderjarige meisjes onvoldoende aannemelijk zijn geworden vanwege tegenstrijdigheden in de verklaringen en onvoldoende bevestiging door derden.
Wel is vastgesteld dat appellant zonder autorisatie politiedocumentatiesystemen heeft geraadpleegd en een getuigenverklaring heeft verhuld, wat plichtsverzuim vormt. Echter, de Raad acht ontslag als disciplinaire maatregel voor deze gedragingen onevenredig zwaar.
Daarom vernietigt de Raad het ontslagbesluit en verklaart het beroep van appellant gegrond. Tevens veroordeelt de Raad de politieregio tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens ernstig plichtsverzuim wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs en disproportionaliteit.