ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.F.M. Brenninkmeijer
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid voor premieschulden bij gebruik van werknemers van malafide uitzendbureau
Appellante, een bedrijf dat werknemers van B.V. Z. gebruikte, werd aansprakelijk gesteld voor onbetaalde premies sociale verzekeringen over 1986-1988. De aansprakelijkstelling was gebaseerd op artikel 16a en subsidiair 16b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CwSV). De rechtbank Middelburg had de aansprakelijkheid verminderd tot een lager bedrag.
In hoger beroep voerde appellante diverse grieven aan, waaronder de niet-tijdige verzending van de aansprakelijkstelling over 1986, het ontbreken van extra-territoriale werking van de CwSV, en de wijze van schatting van de loonsom na verwerping van de loonadministratie van Z. De Raad oordeelde dat de aansprakelijkstelling over 1986 niet in stand kon blijven wegens het niet kunnen aantonen van tijdige verzending. De aansprakelijkheid voor latere jaren bleef gehandhaafd.
De Raad oordeelde verder dat de CwSV ook toepassing vindt op buitenlandse tussenpersonen die werknemers ter beschikking stellen aan Nederlandse bedrijven. De Raad vond dat gedaagde terecht was overgegaan tot brutering van nettolonen, gelet op verklaringen van werknemers en bedrijfsleiders van Z. en het ontbreken van een correcte loonadministratie.
Ten aanzien van de piping-werkzaamheden oordeelde de Raad dat gedaagde onvoldoende onderzoek had gedaan naar de locatie van deze werkzaamheden en dat dit in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel. De Raad vernietigde de bestreden uitspraak en de aansprakelijkstelling, veroordeelde gedaagde in de proceskosten en bepaalde dat het gestorte griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: De aansprakelijkstelling over 1986 wordt vernietigd wegens niet-tijdige verzending; aansprakelijkheid voor latere jaren blijft gehandhaafd met een zorgvuldigheidstoets over piping-werkzaamheden.