ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7702
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- H.C. Cusell
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake uitkeringen krachtens de AAW en WAO na weigering door het Landelijk instituut sociale verzekeringen
In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellant A. tegen het besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) dat hem geen uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toekende. Het Lisv had geweigerd om aan appellant uitkeringen toe te kennen, omdat zijn arbeidsongeschiktheid per 5 mei 1994 minder dan 15% zou zijn. De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan het Lisv om een nieuw besluit te nemen. Het Lisv kende vervolgens een uitkering krachtens de WAO toe, maar weigerde een uitkering op basis van de AAW, omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 25% zou zijn. Appellant stelde hoger beroep in, maar het hoger beroepschrift was niet tijdig ingediend. Appellant voerde aan dat de uitspraak van de rechtbank hem niet tijdig had bereikt, omdat deze naar zijn oude adres was verzonden. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat de rechtbank in strijd had gehandeld met de Algemene wet bestuursrecht door stukken niet naar de gemachtigde van appellant te sturen. Hierdoor werd de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep onterecht geacht. De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en verwees de zaak terug naar de rechtbank, waarbij het Lisv werd veroordeeld in de proceskosten van appellant. De Raad stelde vast dat het door appellant gestorte griffierecht door het Lisv vergoed diende te worden.