ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7780

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juni 1998
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
97/5160 WVG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.I. 't Hooft
  • D.J. van der Vos
  • Th.M. Schelfhout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 Verordening Voorzieningen GehandicaptenArt. 2.7 Verordening Voorzieningen GehandicaptenArt. 2, tweede lid, WVGArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing woningaanpassing voor logeren in woning moeder niet onredelijk

De zaak betreft een beroep van de gemeente Wijchen tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem die het besluit van de gemeente om een woningaanpassing te weigeren, vernietigde. De aanpassing betrof het verbouwen van een slaapkamer tot doucheruimte met extra voorzieningen, bedoeld om de gehandicapte gedaagde in staat te stellen in het weekend, op feestdagen en tijdens vakanties bij zijn moeder te logeren.

De rechtbank had geoordeeld dat de gemeente ten onrechte geen gebruik had gemaakt van de hardheidsclausule in de Verordening Voorzieningen Gehandicapten, die in bijzondere gevallen afwijking van de regels toestaat. De Centrale Raad van Beroep stelt echter vast dat de hardheidsclausule niet toegepast hoeft te worden omdat de Verordening en de WVG zich beperken tot het bezoekbaar maken van woningen en niet tot verdere aanpassingen voor logeervoorzieningen.

De Raad benadrukt dat het niet aan de rechter is om verdergaande voorzieningen te creëren als er sprake is van een maatschappelijk probleem, maar dat dit aan de wetgever is. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de gemeente wordt gegrond verklaard.

Uitkomst: De afwijzing van de woningaanpassing is niet onredelijk en het beroep van de gemeente wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

97/5160 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van Burgemeester en Wethouders van de
gemeente Wijchen, appellant,
en
A te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op bij het beroepschrift (met bijlagen)
aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de
Arrondissementsrechtbank te Arnhem gewezen uitspraak van 9
april 1997, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr J. van Zandbergen, werkzaam bij de
Federatie van Ouderverenigingen te Utrecht, van verweer
gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
15 mei 1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr M. Vermeeren, werkzaam bij de gemeente Wijchen en drs
W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten.
Voor gedaagde zijn zijn moeder C. en J. van den Pol verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een meer uitvoerige beschrijving van de voor dit geding
relevante feiten - daaronder begrepen hetgeen zijdens appellant
in eerste aanleg is aangevoerd - en de toepasselijke
regelgeving verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent in de
rubrieken 2 en 3 van de aangevallen uitspraak is vermeld.
Bij besluit op bezwaar van 27 november 1995 heeft gedaagde
zijn weigering gehandhaafd om gedaagde, die in een
AWBZ-instelling verblijft, in het kader van de Wet
voorzieningen gehandicapten (WVG) in aanmerking te brengen
voor aanpassing van de door zijn moeder met haar partner
bewoonde woning middels verbouw van een van de slaapkamers op
de eerste etage tot doucheruimte, voorzien van een tweede
toilet en wandbeugels. Die aanpassing is, aldus is van de
zijde van gedaagde gesteld, noodzakelijk in verband met zijn
verblijf in de weekenden, de feestdagen en vakanties in deze woning.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden
besluit vernietigd, omdat appellant ten onrechte geen
toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, als vervat
in artikel 8.1, eerste lid, van de Verordening Voorzieningen
Gehandicapten van de gemeente Wijchen (de Verordening). Daarin
is bepaald dat appellant in bijzondere gevallen ten gunste van
de gehandicapte of de woningeigenaar kan afwijken van de
bepalingen in de Verordening, indien toepassing van de
Verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Naar uit de door partijen in hoger beroep ingenomen
standpunten blijkt is tussen hen niet in geschil dat, gelijk
de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft beslist,
gedaagde aan het bepaalde in artikel 2.7 van de Verordening
geen aanspraak kan ontlenen op de namens hem gevraagde en
hiervoor reeds omschreven woningaanpassing. Uitsluitend is aan
de Raad de vraag ter beantwoording of gezegd moet worden dat
appellant niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft
kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met
een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen
rechtsbeginsel door te weigeren met toepassing van
vorenomschreven hardheidsclausule in de gevraagde
woningaanpassing te voorzien.
Die vraag beantwoordt de Raad, anders dan de rechtbank,
ontkennend.
De aanvraag van gedaagde tot woningaanpassing is blijkens de
gedingstukken erop gericht het mogelijk te maken dat hij in de
tijd dat hij niet verblijft in het Epilepsiecentrum
X. te Y., logeert bij zijn moeder en haar partner
in de door hen bewoonde woning. Reeds hierom ziet de Raad het
beroep van gedaagde op de hardheidsclausule niet slagen, nu,
gelet op het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de WVG, de
zorgplicht ingevolge die wet met betrekking tot voorzieningen
als de onderhavige niet voor gedaagde geldt en voorts in de
Verordening geen bepalingen zijn aan te wijzen die
verdergaande aanspraken op woningaanpassing bevatten dan die
in het kader van het bezoekbaar maken van de woning in het
vijfde, zesde en zevende lid van artikel 2.7 van de Verordening
zijn omschreven. Gelet op de duidelijke bewoordingen van
die bepalingen alsmede de daarbij behorende toelichting is het
uitdrukkelijk de bedoeling geweest van het bestuur van de
gemeente Wijchen om de voor gehandicapten als gedaagde te
treffen woonvoorzieningen te beperken tot het bezoekbaar maken
van de woning en niet om verdergaande aanpassingen ervan,
bijvoorbeeld als in casu in verband met de wens om er te
kunnen logeren, te regelen. Toepassing van de
hardheidsclausule met als resultaat dat de woning op de
mogelijkheid van logeren wordt aangepast, zou gedaagde in een
positie brengen die gelet op evenbedoelde bewoordingen van de
Verordening nu juist door de regelgever welbewust is uitgesloten.
De Raad voegt - strikt genomen ten overvloede - hieraan toe oog
te hebben voor de betekenis van de gevraagde voorziening in
relatie tot de wens van gedaagde om weekenden, feestdagen en
(delen van) vakanties bij zijn moeder en haar partner door te
brengen. Als sprake is van een groot maatschappelijk probleem
dat gedaagde en anderen in soortgelijke omstandigheden treft,
dan is het evenwel niet aan de rechter, maar aan de wetgever
om hierin - zo mogelijk - te voorzien.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen
uitspraak, voorzover aangevochten, voor vernietiging in
aanmerking komt en dat het inleidend beroep in zoverre alsnog
ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Veklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en
mr D.J. van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van M. Nieuwenhuis als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 26 juni 1998.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. Nieuwenhuis.
RH 2906