ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8180

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 november 1998
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
96/9423 AOW, 96/9426 AOW, 96/9429 AOW, 96/9432 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • B.J. van der Net
  • R.C. Schoemaker
  • H.C. Cusell
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:75 AwbArtikel 21 BeroepswetAlgemene OuderdomswetAlgemene Weduwen- en Wezenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening op grond van vermeende onjuiste rechtsopvatting AOW en AWW

Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak van 11 februari 1994, waarin zij inhoudelijk gelijk had gekregen. De herziening werd gevraagd op grond van een vermeende onjuiste toepassing van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), mede onder verwijzing naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

De Raad heeft beoordeeld of aan de voorwaarden van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was voldaan, die herziening mogelijk maken op basis van feiten en omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, maar toen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. De Raad benadrukte dat herziening een buitengewoon rechtsmiddel is dat alleen kan worden ingezet bij feiten van feitelijke aard en niet bij een vermeende onjuiste rechtsopvatting.

Omdat het verzoek was gebaseerd op een vermeende onjuiste rechtsopvatting en niet op nieuwe feiten of omstandigheden, kon het niet slagen. De Raad wees het verzoek af en gaf aan dat verzoekster eventuele proceskosten en schade langs andere wegen moet zien te verhalen. Tevens werden geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro aangetroffen.

De uitspraak werd gedaan door voorzitter B.J. van der Net en leden R.C. Schoemaker en H.C. Cusell, en uitgesproken op 19 november 1998.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen omdat een vermeende onjuiste rechtsopvatting geen grond is voor herziening.

Uitspraak

96/9423 AOW
96/9426 AOW
96/9429 AOW
96/9432 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A te B (Spanje), verzoekster,
en
het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens verzoekster heeft mr C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te
Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift d.d. 27 september 1996
aangevoerde gronden herziening verzocht van de door de Raad op 11
februari 1994 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Bij schrijven d.d. 12 december 1996 is vanwege gedaagde aan de Raad te
kennen gegeven dat aanleiding is gevonden de krachtens Algemene
Ouderdomswet (hierna: AOW) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet
(hierna: AWW) ten aanzien van verzoekster gegeven premiebeslissingen
per 1 januari 1986 te herzien.
Namens gedaagde zijn bij brief d.d. 17 april 1998 de ten aanzien van
verzoekster gegeven herzieningsbesluiten d.d. 20 januari 1997 aan de
Raad toegezonden.
Naar aanleiding van een vanwege de Raad gedaan verzoek heeft
voornoemde gemachtigde van verzoekster de Raad bij brief d.d. 10 juli
1998 te kennen gegeven dat verzoekster weliswaar inhoudelijk gelijk
heeft gekregen in haar oorspronkelijke vordering, doch dat zij
niettemin belang heeft bij een vernietiging van de bij 's Raads
uitspraak van 11 februari 1994 bevestigde uitspraak van de voormalige
Raad van Beroep te Amsterdam d.d. 6 december 1991 in verband met het
vorderen van schadevergoeding, betreffende onder meer de kosten van de
eerdere gerechtelijke procedures.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 oktober
1998, waar namens verzoekster is verschenen mr De Roy van Zuydewijn,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A.
van Scherpenzeel, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
In dit geding is de vraag aan de orde of van de zijde van verzoekster
gronden zijn aangevoerd, die kunnen leiden tot herziening van de onder
rubriek I vermelde uitspraak van de Raad d.d. 11 februari 1994.
Daarbij dient te worden gelet op het bepaalde in artikel 21 van Pro de
Beroepswet in verbinding met artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht (hierna: Awb). Krachtens die voorschriften kan een
onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij worden
herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet
bekend waren en redelijkerwijs niet bekend hadden kunnen zijn, en
c. waren zij de Raad eerder bekend geweest, tot een ander uitspraak
zouden hebben kunnen leiden.
Voornoemde herziening betreft een buitengewoon rechtsmiddel, dat er in
beginsel toe strekt een rechterlijke uitspraak die berust op een
naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. In
het restrictieve kader van artikel 8:88 van Pro de Awb kunnen derhalve
slechts aangelegenheden van feitelijke aard een rol spelen. Zulks
betekent onder meer dat een vermeende onjuiste rechtsopvatting niet
kan dienen als grond voor herziening.
Het voorliggende verzoek om herziening berust op een zodanige grond,
nu verzoekster onder verwijzing naar een arrest van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft betoogd dat te haren
aanzien een onjuiste toepassing is gegeven aan de AOW en de AWW.
Reeds omdat hier geen sprake is van een feit of omstandigheid in de
betekenis van genoemd artikel 8:88 van Pro de Awb, kan het onderhavige
verzoek niet slagen.
Verzoekster zal de proceskosten en eventuele andere schade langs
andere weg vergoed moeten zien te krijgen. Het bijzondere rechtsmiddel
van herziening kan daarvoor niet worden gebruikt.
Ten slotte worden geen termen aanwezig geacht voor toepassing van
artikel 8:75 van Pro de Awb.
Derhalve dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Aldus gegeven door mr B.J. van der Net, als voorzitter en door mr R.C.
Schoemaker en mr H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Berends als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 november
1998.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Berends.
HL
1611