ECLI:NL:CRVB:1998:ZF3404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.F.M. Brenninkmeijer
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid en willekeur bij uitvoering malusregeling in sociale zekerheid
Deze zaak betreft hoger beroep tegen besluiten van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en diens rechtsvoorgangers tot het opleggen van een geldelijke bijdrage, de zogenaamde malus, ingevolge artikel 59i van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). De malusregeling was gewijzigd door de Wet Amber, die per 1 januari 1996 in werking trad en de regeling met terugwerkende kracht afschafte, behalve voor gevallen van arbeidsongeschiktheid vóór 1 juli 1993.
De Raad constateert dat het Lisv en zijn rechtsvoorgangers, evenals de gemandateerde uitvoeringsinstellingen en het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv), onvoldoende zorg hebben gedragen voor een uniforme en consistente uitvoering van de malusregeling. Er ontstond een rechtens onaanvaardbare verscheidenheid in de toepassing, waarbij werkgevers ongelijk werden behandeld afhankelijk van hun bedrijfsvereniging en eerdere rechterlijke uitspraken.
De Raad oordeelt dat deze willekeur in strijd is met het verbod van willekeur zoals neergelegd in artikel 3:4 lid 2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ondanks het belang van rechtszekerheid, had het Lisv ook kunnen kiezen voor het ongedaan maken van het tegenwettelijke beleid van de drie bedrijfsverenigingen die malussen niet oplegden na vernietiging door de rechter. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraken en veroordeelt het Lisv in de proceskosten.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de malusbesluiten onrechtmatig zijn wegens willekeur en onvoldoende uniforme uitvoering.