ECLI:NL:CRVB:1999:AA3662
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen arbeidsongeschiktheidsuitkering en eerstejaarsherbeoordeling
Appellant heeft tegen een besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) beroep ingesteld inzake de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW en WAO. Na een eerste besluit in juni 1995 en een herbeoordeling in april 1996, waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 35 tot 45%, stelde appellant beroep in. De rechtbank vernietigde het eerste besluit, waarna Lisv een nieuw besluit nam in juli 1996 met een hogere mate van arbeidsongeschiktheid (45 tot 55%).
Appellant verzocht de rechtbank het beroep mede te richten tegen dit nieuwe besluit en stelde aanspraak te maken op een hogere uitkering (80 tot 100%). De rechtbank verklaarde het verzet ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het nieuwe besluit niet in haar beoordeling had betrokken. Dit besluit is volgens de Raad een besluit in de zin van de Awb en had mede in het beroep betrokken moeten worden.
De Raad acht het hoger beroep ontvankelijk ondanks het appèlverbod in de Beroepswet vanwege bijzondere omstandigheden. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor nader onderzoek. Tevens wordt bepaald dat Lisv het door appellant betaalde griffierecht vergoedt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ontvankelijk verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor nader onderzoek.