ECLI:NL:CRVB:1999:AA5090
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht bevordering militair na functiewaarderingsonderzoek
Appellant, militair bij Defensie, werd in 1994 toegewezen aan een functie met de rang van sergeant-majoor. Later bleek uit een functiewaarderingsonderzoek dat deze functie hoger gewaardeerd moest worden, maar de rangsverhoging werd pas in 1995 formeel verwerkt in de Organisatietabel en Autorisatiestaat (OTAS). Gedaagde weigerde terugwerkende kracht te verlenen aan de bevordering tot adjudant-onderofficier, omdat het vaste beleid is om de datum van OTAS-wijziging als bepalend te beschouwen.
De Raad stelt vast dat de functie van appellant sinds 1 januari 1994 niet was gewijzigd, maar dat de waardering en daarmee de rangsverhoging achteraf plaatsvond. De Raad oordeelt dat de vertraging in de verwerking van het functiewaarderingsonderzoek niet redelijk was en dat gedaagde onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de bevordering niet eerder kon worden toegekend. Daarom moet terugwerkende kracht worden verleend tot kort na het einde van het onderzoek in december 1994.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de eerdere uitspraak, verklaart het beroep gegrond en beveelt een nieuwe beslissing met inachtneming van deze overwegingen. Tevens veroordeelt de Raad de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De bevordering van appellant wordt met terugwerkende kracht toegekend tot kort na het functiewaarderingsonderzoek, en het bestreden besluit wordt vernietigd.