ECLI:NL:CRVB:1999:AA8554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. 't Hooft
- D.J. van der Vos
- Th.M. Schelfhout
- Rechtspraak.nl
Beoordeling adequaatheid vervoersvoorziening voor gehandicapte met beperkte mobiliteit
Het geschil betreft de beëindiging van een financiële tegemoetkoming in vervoerskosten aan een gehandicapte met een uiterst beperkt loopvermogen en het toekennen van het recht op deelname aan collectief vervoer. De rechtbank had het besluit vernietigd omdat het collectief vervoer niet adequaat zou zijn voor verplaatsingen over enkele honderden meters.
In hoger beroep stelt appellant dat gedaagde deze korte verplaatsingen niet maakt en dat bezit van een eigen auto als alternatief kan dienen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het collectief vervoer binnen het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) als adequate voorziening geldt, ook bij bezit van een auto. De Raad benadrukt dat de gemeente beleidsvrijheid heeft en dat het gebruik van een eigen auto niet automatisch leidt tot het vervallen van het recht op een vervoersvoorziening.
De Raad wijst erop dat voor korte verplaatsingen aanvullende voorzieningen, zoals een scootmobiel of een speciale vorm van collectief vervoer, passend kunnen zijn. Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende inzicht in de schade. De uitspraak bevestigt de vernietiging van het eerdere besluit en verplicht appellant tot het nemen van een nieuw besluit in lijn met deze overwegingen.
Uitkomst: De Raad bevestigt vernietiging van het besluit en verplicht appellant een nieuw besluit te nemen waarbij gedaagde recht heeft op een adequate vervoersvoorziening ondanks bezit van een eigen auto.