ECLI:NL:CRVB:1999:AA8618

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 maart 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
97/10426 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.I. 't Hooft
  • D.J. van der Vos
  • Th.M. Schelfhout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring zorgvernieuwing verpleging en verzorging 1995Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ingangsdatum persoonsgebonden budget per datum aanvraag

Appellante heeft op 27 december 1995 een aanvraag ingediend voor een persoonsgebonden budget (PGB) op grond van artikel 6 van Pro de Regeling, die op 1 juli 1995 in werking trad. Het PGB werd toegekend met ingang van 30 januari 1996, maar appellante wilde dat dit eerder zou ingaan, namelijk per 1 juli 1995.

De rechtbank stelde de ingangsdatum van het PGB vast op de datum van aanvraag, 27 december 1995, en vernietigde het besluit voor zover het PGB niet eerder werd toegekend. Appellante stelde hoger beroep in met het verzoek het PGB met terugwerkende kracht toe te kennen vanaf 1 juli 1995, de datum van inwerkingtreding van de Regeling.

De Raad oordeelt dat de Regeling en opvolgende regelgeving geen bepalingen bevatten die een terugwerkende kracht van het PGB mogelijk maken vóór de datum van aanvraag. Ook de onbekendheid van appellante met de regeling en het ontbreken van specifieke informatieverstrekking door gedaagde kunnen niet leiden tot een eerdere ingangsdatum. De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

De uitspraak benadrukt dat het PGB niet eerder dan de datum van aanvraag kan ingaan en dat beleidsmatige informatievoorziening aan derden niet leidt tot een verplichting tot terugwerkende kracht richting individuele verzekerden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het PGB gaat niet eerder in dan de datum van aanvraag, 27 december 1995.

Uitspraak

97/10426 AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
Onderlinge Waarborgmaatschappij Zilveren Kruis Spaarneland Verzekeringen , in haar hoedanigheid van Contactorgaan persoonsgebonden budget, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr A.C.M. Peperkamp, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld van een door de Arrondissementsrechtbank te Haarlem onder dagtekening 8 september 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 14 april 1997 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 januari 1999, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr A.I. Oei, eveneens werkzaam bij voornoemde verzekeringmaatschappij. Gedaagde is verschenen bij haar, ambtshalve opgeroepen, gemachtigde
R.W. Bestebreurtje.
Na heropening van het onderzoek heeft gedaagdes gemachtigde nog een inlichting verstrekt.
Na verkregen toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat voortzetting van het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.
II. MOTIVERING
De Ziekenfondsraad heeft op 23 maart 1995 de op de Wet financiering volksverzekeringen steunende Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring zorgvernieuwing verpleging en verzorging 1995 (de Regeling) vastgesteld.
De Regeling is bij besluit van 21 december 1995 van de Ziekenfondsraad per 1 januari 1996 vervangen door de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring zorg op maat verpleging en verzorging.
Op grond van artikel 6 van Pro de Regeling, welke bepaling op 1 juli 1995 in werking trad, heeft appellante op 27 december 1995 een aanvraag ingediend tot toekenning van een zogeheten persoonsgebonden budget (PGB) ten behoeve van haar in verband met haar medische situatie noodzakelijke verzorging.
Bij besluit van 15 februari 1996 is appellante ingaande 30 januari 1996 een PGB toegekend. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 15 april 1997 het tegen evenvermeld besluit gedane bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de weigering was gehandhaafd het PGB eerder te doen ingaan dan op 30 januari 1996 en heeft de in-gangsdatum van het PGB vastgesteld op 27 december 1995. Daartoe is overwogen dat de datum van aanvraag voor de ingangsdatum van het PGB bepalend is.
Ingevolge het alleen door appellante ingestelde hoger beroep is in dit geding nog slechts aan de orde of het haar toegekende PGB nog eerder dan op de datum van aanvraag van 27 december 1995 had behoren in te gaan en wel in het bijzonder per 1 juli 1995, de datum waarop artikel 6 van Pro de Regeling in werking trad. Daartoe heeft appellante doen aanvoeren dat zij niet op de hoogte was van de inwerkingtreding van de Regeling en dat zij dit ook niet kon zijn, omdat zij daaromtrent van de zijde van gedaagde geen informatie had ontvangen.
Gedaagde heeft bij verweerschrift aangegeven dat de uitvoering van de Regeling bij de zogenaamde contactkantoren PGB is gelegd en dat gedaagde in haar hoedanigheid van contactkantoor PGB voor Midden- en Zuidkennemerland in juni 1995 alle huisartsen, ziekenhuizen en revalidatiecentra heeft aangeschreven met betrekking tot de inwerkingtreding van de Regeling betreffende het PGB op
1 juli 1995. Ook heeft gedaagde aangevoerd dat in de regionale pers daaraan aandacht is gegeven en dat blijkens die perspublicaties ook de Thuisverpleging
Kennemerland (waar appellante haar uit eigen middelen gefinancierde hulp inkocht) van de invoering van het PGB op de hoogte was.
Ten slotte heeft gedaagde aangevoerd dat de Regeling zich richt tot iedere ingezetene die aan de indicatievereisten voldoet en dat zij als daartoe aangewezen contactkantoor haar informatievoorziening daarop heeft gericht. Gedaagde is van opvatting dat haar als zorgverzekeraar niet verweten kan worden dat zij de "eigen" tegen ziektekosten verzekerden, waaronder appellante, niet daarnaast afzonderlijk over de inwerkingtreding van het PGB heeft bericht.
De Raad stelt voorop dat de Regeling noch de opvolgende regelgeving per 1 januari 1996 bepalingen kenden met betrekking tot de ingangsdatum van een PGB.
De Raad volgt gedaagde in haar zienswijze dat het PGB in het geval van appellante niet reeds met ingang van 1 juli 1995 had behoren te worden toegekend. Mede gelet op hetgeen gedaagde daaromtrent heeft aangevoerd kan niet worden staande gehouden dat appellante van de voor haar van belang zijnde Regeling en de daaruit voor haar voort-vloeiende rechten en verplichtingen niet op de hoogte had kunnen zijn. Onbekendheid met die regelgeving bij appellante kan er niet aan in de weg staan dat deze conform het door gedaagde terzake gehanteerde beleid jegens haar niet met terugwerkende kracht wordt toegepast.
De aangevallen uitspraak komt, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en
mr D.J. van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr M. van 't Klooster als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. van 't Klooster.