ECLI:NL:CRVB:1999:AA8620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. Haverkamp
- F.P. Zwart
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering met inachtneming uitlooptermijn
A, sinds 1983 arbeidsongeschikt, ontving uitkeringen op grond van de AAW en WAO. In 1996 besloot het Lisv de uitkeringen in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege het niet respecteren van een uitlooptermijn van zes maanden na kennisgeving aan A.
In hoger beroep bevestigt de Raad dat de medische beoordeling zorgvuldig is uitgevoerd en dat A inderdaad minder dan 15% arbeidsongeschikt is, maar dat het Lisv de uitlooptermijn niet correct heeft gehanteerd. De Raad stelt dat de termijn begint te lopen vanaf het moment dat A redelijkerwijs kennis kon nemen van de aanzegging, en acht een termijn van zes maanden passend gezien zijn verblijf in het buitenland.
De Raad oordeelt dat het besluit van 4 maart 1999, waarin het Lisv het eerdere besluit deels handhaaft en de WAO-uitkering herziet naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%, niet in stand kan blijven. Tevens wordt het Lisv veroordeeld tot betaling van renteschade en proceskosten. Het griffierecht wordt vastgesteld op f 675,-.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de uitkering wordt vernietigd met toekenning van renteschade en proceskosten aan A.