ECLI:NL:CRVB:1999:AA8672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- J.H. van Kreveld
- P. Ingelse
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen niet-verlenging tijdelijke aanstelling ambtenaar Universiteit Utrecht
Betrokkene was van december 1990 tot september 1996 in tijdelijke dienst bij de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht. Bij brief van 30 mei 1996 werd hij geïnformeerd dat zijn tijdelijke aanstelling per 1 september 1996 zou aflopen. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze brief, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief van 30 mei 1996 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het niet binnen zes weken na bekendmaking was ingediend. Het standpunt van betrokkene dat het bezwaar prematuur was zolang overleg over een vaste aanstelling liep, wordt verworpen.
Daarnaast werd betrokkene bij brief van 20 september 1996 meegedeeld dat hij geen vaste aanstelling zou krijgen. De Raad oordeelt dat deze brief een herhaling is van het eerdere besluit en geen zelfstandig besluit vormt waartegen bezwaar openstaat. Het College van Bestuur had het bezwaar tegen deze brief dan ook niet niet-ontvankelijk moeten verklaren.
De Raad vernietigt het besluit van 23 mei 1997 dat een nieuwe beslissing op het bezwaar moest nemen, omdat dit besluit zijn grondslag verloor. De Raad bepaalt dat het bezwaar tegen de brief van 20 september 1996 alsnog niet-ontvankelijk is en bevestigt de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de brief van 30 mei 1996.
De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd, en de Universiteit Utrecht wordt opgelegd een griffierecht te betalen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de niet-verlenging van de tijdelijke aanstelling is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het besluit tot nieuwe beslissing wordt vernietigd.