ECLI:NL:CRVB:1999:AA8708
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering arbeidsongeschiktheid na beoordeling medische beperkingen en loonwaarde
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (appellant) wees een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) af aan gedaagde na haar arbeidsongeschiktheid die op 29 september 1992 begon. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen met inachtneming van haar overwegingen. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep constateerde een fout in het arbeidskundig rapport over de beperking ten aanzien van koude, die niet door medische specialisten was vastgesteld. De Raad oordeelde dat de beperkingen correct waren meegenomen in het besluit van 22 juli 1996 en dat gedaagde onvoldoende had aangetoond dat de beperkingen waren onderschat.
De Raad beoordeelde ook de geschiktheid van de voorgelegde functies en concludeerde dat de functies met toeslagen voor afwijkende werktijden niet passend waren, omdat gedaagde niet op afwijkende werktijden had gewerkt. Desondanks werd de loonwaardevergelijking als juist beoordeeld, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard.
Tot slot veroordeelde de Raad appellant tot vergoeding van proceskosten en reiskosten van gedaagde wegens de onjuiste vermelding in het arbeidskundig rapport die tot het eerdere onjuiste oordeel had geleid.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde tegen het besluit van 22 juli 1996 wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de AAW-uitkering bevestigd.