ECLI:NL:CRVB:1999:AH6692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Chr. van Voorst
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Vergoeding renteschade na vernietiging Ziektewet-besluit zonder toekenning immateriële of inkomensschade
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) over schadevergoeding na vernietiging van een Ziektewet-besluit. De Raad vernietigde eerder het besluit van 24 januari 1994 dat ziekengeld weigerde en opende het onderzoek voor vergoeding van renteschade.
Appellant vorderde vergoeding van wettelijke rente over de periode vanaf 9 december 1993, immateriële schade wegens aantasting van zijn eer en goede naam, en inkomensschade als gevolg van ontslag. De Raad achtte de renteschade toewijsbaar vanaf 20 december 1993, conform het toen geldende artikel 47 ZW Pro.
Voor immateriële schade oordeelde de Raad dat hoewel appellant psychisch leed ondervond, dit niet ernstig genoeg was om vergoeding toe te kennen volgens artikel 6:106 BW Pro. Voor inkomensschade stelde de Raad vast dat onvoldoende causaal verband bestond tussen het vernietigde besluit en het ontslag, mede gelet op het feit dat de werkgever geen passend werk kon bieden.
De Raad veroordeelde Lisv tot vergoeding van de renteschade en proceskosten, maar wees de overige schadevorderingen af.
Uitkomst: Vergoeding van renteschade en proceskosten toegekend, immateriële en inkomensschade afgewezen wegens onvoldoende causaliteit en ernst.