ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 mei 1999
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
97/10163 ABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • Ch. de Vrey
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 AbwArt. 17 AbwArt. 7:12 AwbArt. 3:2 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing bijstandsuitkering wegens onvoldoende onderzoek studielast deeltijdopleiding

Appellant vroeg op 5 september 1996 een bijstandsuitkering aan terwijl hij een deeltijdopleiding tot onderzoeker/bioloog volgde. De gemeente Utrecht weigerde de aanvraag wegens onvoldoende gegevens, waarna appellant bezwaar maakte. De rechtbank vernietigde het besluit en wees de aanvraag af, stellende dat de Wet studiefinanciering (WSF) als voorliggende voorziening gold.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat artikel 9, tweede lid onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw) niet van toepassing is omdat appellant een deeltijdstudie volgt die niet onder de WSF valt. Tevens is onvoldoende onderzoek gedaan naar de feitelijke studielast, terwijl dit noodzakelijk is om te bepalen of appellant recht heeft op bijstand volgens artikel 9, tweede lid onder c, Abw.

De Raad vernietigt het bestreden besluit ook vanwege strijd met artikel 7:12 en Pro artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de WSF als voorliggende voorziening geldt. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit waarbij de studielast zorgvuldig moet worden onderzocht. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, maar appellant wordt in de proceskosten van het hoger beroep tegemoetgekomen.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd en de gemeente dient een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

97/10163 ABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A te B, appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op bij het beroepschrift aangegeven gronden in
hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank
te Utrecht onder dagtekening 19 augustus 1997 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Hierop heeft appellant met een brief d.d. 31 maart 1999 gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 april
1999, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma,
werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. MOTIVERING
In de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is
aangeduid en gedaagde als verweerder - heeft de rechtbank de
volgende feiten en omstandigheden vastgesteld:
"Op 5 september 1996 heeft eiser een aanvraag ingediend voor
een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Ten
tijde van de aanvraag was eiser begonnen met een
deeltijdopleiding tot onderzoeker/bioloog aan de Universiteit
Utrecht, nadat hij de HBO-opleiding Laboratorium Onderwijs en
Chemische Technologie, richting zoölogie had afgerond. Bij
brief van 11 september 1996 heeft de directeur Sociale Zaken
van de dienst Welzijn van de gemeente Utrecht eiser meegedeeld
dat voor de beoordeling van de aanvraag aanvullende gegevens
nodig waren, te weten een kopie van uitschrijving van de
deeltijdstudie. Bij besluit van 24 september 1996 heeft
verweerder besloten de aanvraag niet verder in behandeling te
nemen, met als motivering dat verweerder nog steeds over
onvoldoende gegevens beschikte om de aanvraag af te handelen.
Eiser heeft tegen dit besluit op 15 oktober 1996 een
bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 13 december 1996 is
het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.".
Deze feiten en omstandigheden worden door partijen niet
betwist, en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn
oordeelsvorming. De Raad voegt er enkel aan toe dat het besluit
d.d. 13 december 1996 berust op gronden, ontleend aan artikel
9, tweede lid onder b en onder c, van de Abw.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het besluit
d.d. 13 december 1996 vernietigd allereerst omdat artikel 9,
tweede lid onder b, van de Abw in het geval van appellant niet
van toepassing is en voorts omdat het strijdt met artikel 7:12
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertoe is overwogen,
in het kort, dat de aanvraag van appellant alleen kan worden
beoordeeld aan de hand van artikel 9, tweede lid aanhef en
onder c, van de Abw en dat gedaagde onvoldoende onderzoek heeft
gedaan naar de feitelijke en reële beschikbaarheid van
appellant voor de arbeidsmarkt, zodat het bestreden besluit niet
toereikend is gemotiveerd. Voorts heeft de rechtbank aanleiding
gevonden om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de
Awb zelf in de zaak te voorzien, in deze zin dat zij, onder
herroeping van het primaire besluit, heeft beslist dat de
aanvraag om bijstand van appellant wordt afgewezen. Dit vindt
grond in de overweging van de rechtbank dat, indien appellant
gebruik had gemaakt van de in zijn geval bestaande mogelijkheid
de voltijdopleiding biologie te volgen, hij aanspraak had
kunnen maken op financiering ingevolge de Wet op de
studiefinanciering (WSF); aangezien, aldus de rechtbank, deze financiering
als een voorliggende voorziening in de zin als bedoeld in artikel 17, eerste lid,
van de Abw moet worden aangemerkt, vormt dit voorschrift een beletsel voor
een recht van appellant op een bijstandsuitkering.
Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten
onrechte op grond van het voorschrift van artikel 17, eerste
lid, van de Abw heeft beslist dat zijn aanvraag om bijstand
wordt afgewezen en voorts dat hij op een dergelijke uitkering
wel recht kan doen gelden.
De Raad overweegt het volgende.
In de eerste plaats onderschrijft de Raad het oordeel van de
rechtbank dat het bepaalde in artikel 9, tweede lid onder b,
van de Abw niet kan dienen als afwijzingsgrond van de aanvraag
van appellant, aangezien appellant nu eenmaal een vorm van
onderwijs volgde - wetenschappelijk onderwijs in deeltijd - die
niet valt onder het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk II van de WSF.
Voorts acht de Raad juist dat de rechtbank het bestreden
besluit inhoudelijk heeft beoordeeld met toepassing van artikel
9, tweede lid aanhef en onder c, van de Abw en volgt hij ook de
rechtbank in haar conclusie dat gedaagde onvoldoende feitelijk
onderzoek heeft gedaan ter beantwoording van de vraag of
appellant gezien dat voorschrift recht op een bijstandsuitkering heeft.
Hierbij neemt de Raad nog het volgende in aanmerking.
Naar de woorden van artikel 9, tweede lid aanhef en onder c,
van de Abw heeft geen recht op algemene bijstand degene, wiens
voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per
week in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen
van onderwijs of van een beroepsopleiding, tenzij het betreft
een scholing of opleiding als bedoeld in artikel 113, eerste
lid, onderdeel g.
Het voorschrift van artikel 9, tweede lid onder c, is bij de
Wet van 21 december 1995, Stb. 691, in de Abw toegevoegd in
verband met het afschaffen van het recht op kinderbijslag op
basis van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) voor kinderen
ouder dan 18 jaar; anders echter dan in de AKW ter zake was
geregeld, bevat artikel 9, tweede lid onder c, van de Wet niet
een leeftijdsgrens. Aan de wetsgeschiedenis van de Wet van 21
december 1995 kan nog worden ontleend dat onder het volgen van
onderwijs wordt verstaan het volgen van lessen en het
verrichten van stage.
In het voetspoor van zijn uitspraak van heden in het geding
nummer 98/1198 NABW, is de Raad ook hier van oordeel dat de
vraag, of in het geval van appellant de voor werkzaamheden
beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag
wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs
of van een beroepsopleiding, beantwoord dient te worden met
inachtneming van objectieve dan wel objectiveerbare gegevens
betreffende de studielast van de studie in concreto (inclusief
eventueel verleende vrijstellingen) zoals blijkt uit officiële
gegevens terzake van de betrokken onderwijsinstelling.
Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat gedaagde niet heeft
onderzocht wat de studielast in het studiejaar 1996/1997 van de
door appellant gevolgde deeltijdstudie was. Terecht derhalve
heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd omdat het
strijdt met artikel 7:12 van Pro de Awb.
De Raad komt vervolgens toe aan de vraag of de rechtbank
terecht heeft beslist dat de aanvraag om bijstand van appellant
op grond van artikel 17, eerste lid, van de Abw wordt afgewezen.
Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend.
Gezien naar artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen
recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op
een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel,
wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
De Raad is evenwel van oordeel dat - zoals hiervoren al is
vastgesteld - appellant een studie volgt die niet in de termen van hoofdstuk
II van de WSF valt. Daarom kan appellant niet daadwerkelijk een
beroep op studiefinanciering doen. Reeds dit gegeven staat
eraan in de weg dat de aanvraag van appellant met toepassing
van artikel 17, eerste lid, van de Abw wordt afgewezen.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak niet in stand gelaten kan worden, met dien verstande
dat dit geen betrekking heeft op de in het dictum van de
aangevallen uitspraak voorts opgenomen beslissingen inzake
griffierecht en proceskosten, en dat ook het bestreden besluit moet
worden vernietigd, dit, naar de opvatting van de Raad, wegens
strijd niet alleen met artikel 7:12 maar Pro ook met artikel 3:2 van Pro de Awb.
Appellant heeft verzocht gedaagde te veroordelen in de schade
aan zijn kant op grond van artikel 8:73 van Pro de Awb.
Uit het hiervoor overwogene blijkt evenwel dat het bestreden
besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de
totstandkoming ervan en dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen.
Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over
mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe
het nieuwe besluit zal gaan luiden.
Gedaagde zal bij het nemen van een nieuw besluit, zeker indien
het komt tot toekenning van bijstand aan appellant, tevens
aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen
zijn om schade te vergoeden.
Het verzoek van appellant zal de Raad dan ook afwijzen.
De Raad acht wel termen aanwezig om op grond van artikel 8:75
van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van
appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 6,24
aan reiskosten.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover
daarin over vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in
eerste aanleg is beslist;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellant het gestorte
recht van f 160,-- vergoedt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger
beroep tot een bedrag groot f 6,24, te betalen door de gemeente Utrecht.
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en
mr Ch. de Vrey en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als
leden, in tegenwoordigheid van mr P.C. de Wit als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 1999.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) P.C. de Wit.
BvW/HL
315