ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8431
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Voortzetting arbeidsongeschiktheidsuitkering bij aanwijzing op WSW-werk tot beslissing over heropname
Appellant had zijn WAO-uitkering ingetrokken zien worden per 15 juni 1994, omdat hij medisch gezien in staat werd geacht zijn werk in WSW-verband te hervatten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het intrekkingsbesluit, waarbij werd overwogen dat de uitkering voortgezet moet worden tot het moment waarop over heropname in de WSW-personenkring is beslist.
In hoger beroep betwist appellant niet dat hij in staat was zijn WSW-werk te verrichten, maar maakt bezwaar tegen de termijn van vier maanden die de rechtbank redelijk achtte voor het intrekken van de uitkering na de brief van 15 april 1994. De Raad overweegt dat appellant zich reeds op 30 maart 1994 bewust had moeten zijn van zijn geschiktheid voor werkhervatting, gelet op een arbeidskundig rapport en mondelinge mededeling.
De Raad constateert dat appellant zich na die datum niet bij zijn werkgever heeft gemeld en geen relevante pogingen heeft gedaan tot heropname in de WSW-personenkring. De Raad ziet geen aanleiding om het intrekkingsbesluit later te laten ingaan dan 15 augustus 1994 en verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak bevestigt dat de WAO-uitkering niet langer dan noodzakelijk voortgezet hoeft te worden als de uitkeringsgerechtigde niet tijdig gerichte activiteiten onderneemt.
Uitkomst: Het beroep tegen het intrekkingsbesluit van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.