ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8528
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering ondanks verblijfstitel ontbreken
Appellant, met de Turkse nationaliteit, ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW en WAO. Na medische herbeoordeling werd zijn mate van arbeidsongeschiktheid verlaagd van 80-100% naar 35-45%, waarop appellant bezwaar maakte. Hij voerde aan dat het ontbreken van een verblijfstitel hem belet arbeid te verrichten, waardoor de herziening onterecht zou zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het ontbreken van een verblijfstitel niet onder artikel 2, onder e, van het Schattingsbesluit valt en dat beperkingen door verblijfsrechtelijke bepalingen niet toegerekend mogen worden aan ziekte of gebreken bij de vaststelling van arbeidsongeschiktheid.
Voorts wijst de Raad het beroep op artikel 18 lid 2 van Pro het Europees Verdrag inzake migrerende werknemers af, omdat dit niet verplicht tot het ongewijzigd voortzetten van uitkeringen als op grond van AAW en WAO geen aanspraak bestaat. Het verzoek van appellant om toelating tot Nederland om arbeid te hervatten wordt buiten beschouwing gelaten omdat dit niet binnen het bestreden besluit valt.
De Raad concludeert dat de medische beoordeling en het bestreden besluit standhouden en bevestigt het besluit tot herziening van de uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en wijst het hoger beroep af.