ECLI:NL:CRVB:2000:AA7122

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juli 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/2034 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:75 AwbArt. 25 BeroepswetArtikel 24 KB 164
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijstelling verplichte volksverzekering onder voorwaarde geen arbeid in Nederland niet op rechtsgevolg gericht

Appellant, woonachtig in Nederland en ontvanger van een WAO-uitkering en een Duitse Erwerbsunfähigkeitsrente, had bij de Sociale Verzekeringsbank vrijstelling gevraagd van de verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen. Deze vrijstelling werd verleend onder de voorwaarde dat appellant geen arbeid in Nederland verrichtte.

Appellant maakte bezwaar tegen deze voorwaarde, stellende dat hem hierdoor de mogelijkheid werd ontnomen om in Nederland te werken. De Sociale Verzekeringsbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank handhaafde dit besluit.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de voorwaarde van geen arbeid in Nederland relevant was voor het moment van de beslissing (1 januari 1994) en dat het besluit zelf geen rechtsgevolg bevat voor toekomstige situaties waarin appellant mogelijk wel arbeid zou verrichten. Hierdoor was er geen bezwaar mogelijk tegen die toekomstige gevolgen. Het bezwaar had daarom niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk en veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank in de proceskosten van appellant. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.

Uitkomst: Bezwaar tegen voorwaarde geen arbeid in Nederland wordt niet-ontvankelijk verklaard en proceskosten aan appellant toegekend.

Uitspraak

98/2034 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A te B, appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 20 februari 1997 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van 13 december 1996, houdende de vrijstelling van appellant van de verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen, ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 12 januari 1998 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft bij brieven van 28 april en 1 oktober 1998 nadere stukken in het geding gebracht en op 9 juni 1998 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juni 2000, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A. van Scherpenzeel, werkzaam bij de Sociale Verzekerings-bank.
II. MOTIVERING
Appellant woont in Nederland. Hij ontvangt sedert 9 maart 1985 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke in 1996 f 782,35 bruto per maand bedroeg, en vanaf 1 januari 1994 tevens een Erwerbsunfähigkeitsrente van de LVA Westfalen van 1.329,67 DM per maand.
Bij besluit van 13 december 1996 heeft gedaagde appellant op zijn verzoek ingaande 1 januari 1994 vrijstelling verleend van de verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen op grond van het bepaalde in artikel 24 van Pro het Koninklijk Besluit van 3 mei 1989, Stb. 164 (hierna: KB 164). Daarbij heeft gedaagde het volgende aan appellant medegedeeld:
"Een vrijstelling van de verplichte verzekering ingevolge de AOW, Anw, AKW en AAW kunnen wij u verlenen indien u voldoet aan de onderstaande voorwaarden, genoemd onder de punten 1 of 2.
...
2. a. u woont in Nederland en
b. u verricht hier te lande geen arbeid en
c. u ontvangt duurzaam zowel een uitkering ingevolge een buitenlandse wettelijke
regeling inzake sociale zekerheid of ingevolge
een regeling van een volkenrechtelijke
organisatie, als ook een Nederlandse sociale
verzekeringsuitkering en
d. de eerstbedoelde uitkering is groter dan
of gelijk aan de Nederlandse uitkering en
e. de uitkeringen tezamen bedragen tenminste
70% van het Nederlandse wettelijk
minimumloon. (Dit minimumloon bedraagt
momenteel f 2203,50 per maand.)
Aangezien u aan alle onder punt 2 genoemde voorwaarden voldoet, verlenen wij u de door u gevraagde vrijstelling.".
Appellant heeft in bezwaar aangevoerd dat hij het niet eens is met de onder b. genoemde voorwaarde, omdat hem aldus de mogelijkheid wordt ontnomen nog werkzaamheden in Nederland te verrichten.
Gedaagde heeft dit bezwaar van appellant bij het bestreden besluit ongegrond verklaard en de rechtbank heeft dat besluit in stand gelaten.
De Raad ziet zich allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of het bezwaar van appellant is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen op grond van artikel 7:1 van Pro de Awb het rechtsmiddel van bezwaar openstaat.
In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechts-handeling. Hierbij geldt dat met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld: een handeling, gericht op rechtsgevolg.
De hiervoor onder b. genoemde voorwaarde is van belang voor gedaagdes beslissing tot vrijstelling van de verplichte volksverzekeringen, in die zin dat gedaagde alvorens een beslissing te nemen diende vast te stellen of appellant op 1 januari 1994 aan die voorwaarde voldeed en voor vrijstelling in aanmerking kwam. De beslissing omtrent de vrijstelling is een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Gedaagdes bezwaren zijn echter niet gericht tegen deze toepassing van die voorwaarde in het kader van de verleende vrijstelling, maar hebben betrekking op eventuele toekomstige gevolgen voor de verleende vrijstelling indien hij werkzaamheden in Nederland gaat verrichten.
Op dat punt bevat het besluit van 13 december 1996 echter geen beslissing en in zoverre is het dan ook niet op rechtsgevolg gericht.
Dat betekent tevens dat op dat punt voor appellant geen bezwaar als bedoeld in artikel 7:1 van Pro de Awb openstond en dat gedaagde het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, niet in stand kunnen blijven. Voorts ziet de Raad voldoende aanleiding om, zelf in de zaak voorziende, het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 58,40 aan reiskosten.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat gedaagde het griffierecht ad f 215,- aan appellant dient te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;
Verklaart het bezwaar van appellant tegen gedaagdes besluit van 13 december 1996 alsnog niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot f 58,40 te betalen aan appellant;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 215,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr F.P. Zwart als voorzitter en
mr T.L. de Vries en mr H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2000.
(get.) F.P. Zwart.
(get.) J.J.B. van der Putten.
IS+
Q