ECLI:NL:CRVB:2000:AA8326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- H.A.A.G. Vermeulen
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- Rechtspraak.nl
Ontslag militair wegens weigering deelname VN-operatie en weigering wachtgeld
Appellant, een militair bij de Koninklijke Marechaussee, werd ontslagen op grond van artikel 39, tweede lid, onder j, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) omdat hij weigerachtig was deel te nemen aan de VN-operatie UNPROFOR. Dit ontslag werd door de Staatssecretaris van Defensie genomen en de wachtgelduitkering werd geweigerd omdat het ontslag aan eigen schuld of toedoen werd toegeschreven.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de uitzending in VN-verband niet in overeenstemming was met artikel 98 van Pro de Grondwet, dat de ontslagprocedure niet zorgvuldig was volgens artikel 43 AMAR Pro en dat het ontslag niet aan eigen schuld te wijten was. De Raad oordeelde dat de uitzending wel binnen de belangen van de Staat valt zoals bedoeld in artikel 98 Grondwet Pro, dat de beperkte inzetbaarheid van appellant het gevolg was van zijn eigen keuze en dat de ontslagprocedure correct was gevolgd.
De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om bezwaren tegen uitzending kenbaar te maken en dat de weigering tot wachtgeld terecht was omdat het ontslag aan eigen schuld te wijten was. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het ontslag van de militair wegens weigering deel te nemen aan VN-operaties wordt bevestigd en de wachtgelduitkering wordt geweigerd.