ECLI:NL:CRVB:2000:AA8470
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T. Hoogenboom
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Inkomsten uit arbeid door terbeschikkingstelling arbeidskracht aan vennootschap onder firma
De zaak betreft een geschil tussen het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en een gedaagde die als vennoot in een vennootschap onder firma (v.o.f.) werkzaam was in de mosselvangst. Gedaagde had zijn werkzaamheden gestaakt en een arbeidskracht in dienst genomen die zijn taken overnam, terwijl hij zijn aandeel in de winst bleef ontvangen.
Appellant had op basis van artikel 33 van Pro de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) besloten de uitkering van gedaagde over bepaalde jaren te verminderen of niet uit te betalen, omdat hij werd geacht minder dan 25% arbeidsongeschikt te zijn. De rechtbank had deze besluiten vernietigd omdat gedaagdes winst niet als inkomsten uit arbeid werd beschouwd, maar als inkomsten uit vermogen.
De Centrale Raad van Beroep stelt echter vast dat het bedrijfsresultaat mede wordt behaald doordat gedaagde de arbeidskracht, met wie hij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, ter beschikking stelt aan de v.o.f. Deze activiteiten gaan het normale vermogensbeheer te boven. De feitelijke en arbeidsrechtelijke bemoeienis van gedaagde met de arbeidskracht maakt dat de inkomsten als inkomsten uit arbeid moeten worden beschouwd.
Verder oordeelt de Raad dat de met terugwerkende kracht genomen besluiten in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en daarom niet kunnen worden gehandhaafd voor perioden vóór 23 mei 1995, de datum waarop gedaagde kennis kreeg van het gewijzigde standpunt van appellant.
De Raad bevestigt de vernietiging van de besluiten en veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van de besluiten van het LISV en veroordeelt het LISV in de proceskosten.