ECLI:NL:CRVB:2000:AB2463

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/1203 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989Art. 24 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering vervroegde vrijstelling verplichte verzekering AKW en AWW

Appellant verzocht de Sociale Verzekeringsbank om de vrijstelling van de verplichte verzekering voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) met toepassing van artikel 25 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (KB 164) eerder te laten ingaan dan 13 juni 1995. Dit verzoek werd op 14 januari 1997 afgewezen, en het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard bij besluit van 23 mei 1997.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt, omdat zijn hoofdverblijf ook na maart 1993 in Duitsland was gelegen. De Raad overwoog echter dat artikel 25 van Pro KB 164 niet van toepassing was omdat er geen sprake was van een situatie waarin de verzekeringsplicht was aangenomen of uitgesloten op grond van KB 164.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. De Raad wees erop dat appellant zich nog kon wenden tot de Sociale Verzekeringsbank voor toepassing van een latere wijziging van artikel 24 van Pro KB 164, die terugwerkende kracht van vrijstelling mogelijk maakt onder bepaalde voorwaarden.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.

Uitspraak

99/1203 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 14 januari 1997 heeft gedaagde het verzoek van appellant om met toepassing van artikel 25 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989, Stb. 1989, 164 (verder te noemen: KB 164) de verleende vrijstelling van de verplichte verzekering voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) eerder te doen ingaan dan 13 juni 1995 afgewezen.
Bij het thans bestreden besluit van 23 mei 1997 heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 14 januari 1997 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 25 januari 1999 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr W.C.D.E. Wolfhagen, advocaat te Maastricht, op daartoe nader aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 november 2000. Appellant is daar niet verschenen, en gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door
mr H.S. van Zanten, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft appellant, die is geboren in 1930, bij besluit van 24 november 1995 ingaande 13 juni 1995, onder toepassing van het bepaalde in artikel 24 van Pro KB 164, vrijstelling verleend van de verplichte verzekering ingevolge de AKW en de AWW. Het tegen dat besluit ingestelde bezwaar, waarbij appellant heeft aangevoerd dat de vrijstelling dient te worden verleend vanaf de datum dat hij in Nederland woont, te weten 15 maart 1993, is bij besluit van 29 april 1996 ongegrond verklaard, waarin appellant heeft berust.
Bij brief van 10 december 1996 heeft appellant verzocht om met toepassing van het bepaalde in artikel 25 van Pro KB 164 de hiervoor vermelde vrijstelling alsnog ingaande 4 maart 1993 te verlenen. Dit verzoek is door gedaagde bij besluit van 14 januari 1997 afgewezen, onder de overweging dat toepassing van artikel 25 van Pro KB 164 slechts mogelijk is in gevallen waarin iemand op grond van een bepaling in KB 164 is uitgesloten van de kring van verzekerden of onder de kring van verzekerden is gebracht, hetgeen in appellants situatie niet aan de orde is. Dit standpunt heeft gedaagde in het thans bestreden besluit gehandhaafd.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat gedaagdes opvatting aangaande artikel 25 van Pro KB 164, gelet op de jurisprudentie van de Raad ter zake, voor juist moet worden gehouden, en voorts dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde hier van belang door gedaagde ten onrechte als ingezetene is aangemerkt.
Appellant heeft in hoger beroep gemotiveerd aangevoerd dat hij niet als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt, maar dat zijn hoofdverblijf, ook na maart 1993, in Duitsland is gelegen.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 25, eerste lid, van KB 164 luidde ten tijde hier van belang als volgt:
"De Sociale Verzekeringsbank is bevoegd voor bepaalde gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die uit de verzekeringsplicht of de uitsluiting daarvan krachtens dit besluit kunnen voortvloeien.".
De Raad stelt vast dat er ten aanzien van appellant geen sprake is van een situatie waarin toepassing van KB 164 heeft geleid tot het aannemen van de verzekeringsplicht, of tot de uitsluiting daarvan. Dat betekent dat artikel 25 van Pro KB 164 reeds om die reden niet kan worden toegepast, zoals de Raad in vaste jurisprudentie heeft geoordeeld (onder meer gepubliceerd in USZ 1998, 38).
Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot zijn verzekeringsplicht uit hoofde van ingezetenschap, kan in dit geding niet aan de orde komen, nu dat aspect buiten de grenzen van het thans aan de orde zijnde geding valt.
Voor dit geding ten overvloede overweegt de Raad nog het volgende. De ingangsdatum van de verleende vrijstelling voor de verplichte verzekering voor de AKW en de AWW steunt op het bepaalde in artikel 24, derde lid, van KB 164, waarin ten tijde van belang onder meer was bepaald dat de vrijstelling niet eerder kan ingaan dan de datum van het verzoek daartoe. Bij Besluit van 2 september 1998, Stb. 1998, 597, is artikel 24 van Pro KB 164 gewijzigd en is in het eerste lid van artikel II van dat Besluit het volgende bepaald:
"Indien de toepassing van artikel 24, derde lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, heeft geleid tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan de Sociale Verzekeringsbank op verzoek van de ingezetene die tussen 4 november 1994 en de dag waarop dit besluit in werking treedt vrijstelling is verleend, besluiten dat die vrijstelling terugwerkt tot ten hoogste drie jaar voorafgaand aan de datum van het verzoek, met dien verstande dat deze niet verder terugwerkt dan tot aan de datum waarop de aanspraak op de buitenlandse uitkering of op de uitkering van de volkenrechtelijke organisatie is ontstaan.".
Gelet op de datum waarop aan appellant de bedoelde vrijstelling is verleend, kan hij zich alsnog tot gedaagde wenden, met het verzoek om toepassing van het hiervoor vermelde artikel II.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proces-kosten.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr F.P. Zwart en mr T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 november 2000.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
IS
+Q