Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2000:AE7878

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/5805 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 21 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere voorziening voor extra vakantie op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Eiser, gelijkgesteld met een vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, verzocht om een bijzondere voorziening voor vergoeding van extra vakantiekosten vanwege psychische klachten. Verweerster wees dit verzoek af omdat er geen sprake was van extra kosten volgens de artikelen 20 en 21 van de Wet.

De medische adviseur stelde vast dat er geen medische indicatie was, maar wel een medisch-sociale indicatie voor extra vakantie. De Raad overwoog echter dat alleen bij een regulier vakantiepatroon, doorgaans een jaarlijkse vakantie van minimaal twee weken of vergelijkbare uitstapjes, sprake kan zijn van extra vakantiekosten.

Eisers verblijf bij zijn zuster gedurende enkele weekends en dagtrips werden niet als een regulier vakantiepatroon aangemerkt. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit rechtmatig is en dat er geen grond is voor vernietiging. Ook werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijzondere voorziening voor extra vakantiekosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
99/5805 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Naam eiser], wonende te [naam woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 29 oktober 1999, kenmerk JZ/H70/1999/923, ten aanzien van eiser een besluit genomen betreffende de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (verder: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eiser het met het bestreden besluit niet eens is.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben schriftelijk toestemming gegeven voor het achterwege laten van een onderzoek ter zitting. Het onderzoek is daarop gesloten.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, oud, van de Wet gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wet. Ook zijn hem een periodieke uitkering en enkele bijzondere voorzieningen toegekend.
Bij brief van 2 maart 1999 heeft eiser aan verweerster verzocht om hem (onder meer) in aanmerking te brengen voor een bijzondere voorziening terzake van een vergoeding of tegemoetkoming in de kosten verbonden aan extra vakantie.
Verweerster heeft deze aanvraag van eiser afgewezen bij besluit d.d. 22 juli 1999, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.
Hierbij is overwogen dat het vakantiepatroon van eiser, bestaande uit het verblijven van enkele weekends bij zijn zuster, onvoldoende wordt geacht voor toekenning van een voorziening ter zake van extra vakantie.
De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hij overweegt daartoe als volgt.
De Raad neemt bij zijn oordeelsvorming betreffende de in beroep aan de orde zijnde voorziening tot uitgangspunt dat verweerster, zoals zij bij verweerschrift heeft doen aanvoeren, de afwijzing daarvan in hoofdzaak heeft gebaseerd op de overweging dat bij eiser met betrekking tot vakantie geen sprake is van extra kosten als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Wet.
Blijkens het aan verweerster uitgebrachte medisch advies d.d. 8 juni 1999 is de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad P. Windels tot de zienswijze gekomen dat voor extra vakantie in verband met eisers causale psychische klachten geen medische indicatie maar wel een medisch-sociale indicatie in de zin van artikel 21 van Pro de Wet aanwezig is.
Nochtans brengt deze constatering de Raad niet tot het oordeel dat verweerster in het geval van eiser voor de onderhavige voorziening een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 21 van Pro de Wet had moeten verlenen.
In zijn jurisprudentie met betrekking tot een voorziening als hier aan de orde heeft de Raad zich met de opvatting van verweerster verenigd dat eerst dan sprake is van extra kosten in de zin van artikel 20 dan Pro wel artikel 21 van Pro de Wet, indien de betrokkene kan wijzen op een regulier vakantiepatroon. Daaronder wordt in het algemeen verstaan een jaarlijkse vakantie, die ten minste een periode van twee weken beslaat, zij het dat verweerster daartoe ook uitstapjes en (lange) weekends rekent, mits deze vergelijkbaar zijn met een veertiendaagse vakantie.
Met betrekking tot hetgeen eiser daaromtrent in beroep heeft aangevoerd, dat hij meerdere malen een lang weekend bij zijn zuster in Rijswijk heeft verbleven en daarnaast nog dagtrips naar rustige plekken onderneemt, waardoor hij aan een vakantiepatroon van 24 dagen toekomt, onderschrijft de Raad verweersters standpunt dat een verblijf van eiser gedurende enkele weekends bij zijn zuster in Rijswijk qua besteding (familiebezoek) en qua aaneengeslotenheid en duur onvoldoende is om deze ten volle vergelijkbaar te achten met de gebruikelijke onderbreking van het dagelijkse bestaan door het nemen van een 14-daagse, algemeen gebruikelijke vakantie.
Naar 's Raads oordeel strookt de aldus vormgegeven eis van verweerster dat eerst sprake moet zijn van een gebruikelijk vakantiepatroon, alvorens gesproken kan worden van extra vakantie, met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 20 en 21 van de Wet.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2000.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.