ECLI:NL:CRVB:2000:AE8581
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing artikel 4 Schattingsbesluit bij arbeidsongeschiktheid zelfstandige veehouder
Gedaagde, een zelfstandige veehouder geboren in 1933, meldde arbeidsongeschiktheid per 1 april 1995 wegens knie- en rugklachten. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) weigerde een uitkering toe te kennen omdat gedaagde minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast en een arbeidsdeskundige berekende een arbeidsongeschiktheidspercentage van 57%, maar het Lisv baseerde het besluit op een lagere inschatting.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens motiveringsgebreken, met name over de actualisering van het maatmaninkomen en de toepassing van artikel 4 van Pro het Schattingsbesluit, dat een maximering van de resterende verdiencapaciteit voorschrijft. De rechtbank oordeelde dat deze maximering niet zonder meer toegepast kan worden op zelfstandigen en dat het Lisv onterecht onderscheid maakte tussen zelfstandigen en werknemers.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het besluit niet in stand kan blijven. De Raad stelt dat de gehanteerde actualisering met LEI-indexcijfers strijdig is met de wet en dat artikel 4 van Pro het Schattingsbesluit geen grond biedt voor maximering van de verdiencapaciteit van zelfstandigen. Ook wijst de Raad het beroep op het dervingsbeginsel af en benadrukt dat het onderscheid tussen zelfstandigen en werknemers niet gerechtvaardigd is. Het hoger beroep wordt verworpen en het bestreden vonnis bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.