ECLI:NL:CRVB:2000:AF1618
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ambtelijke aanstelling op grond van overeenkomst van opdracht bij werkvoorzieningsschap
Verzoeker was na een detachering werkzaam bij het werkvoorzieningsschap op basis van een overeenkomst van opdracht, omdat een ambtelijke aanstelling destijds niet mogelijk werd geacht. Verzoeker stelde dat feitelijke omstandigheden wezen op een ambtelijke rechtsverhouding, terwijl gedaagden ontkenden dat een ambtelijke aanstelling beoogd was.
De President van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat uit de overeenkomst en de omstandigheden niet blijkt dat gedaagden de bedoeling hadden een ambtelijke rechtsverhouding tot stand te brengen. Ook waren de feiten onvoldoende om te concluderen dat verzoeker mocht aannemen dat hij feitelijk ambtenaar was.
Daarmee werd het oordeel van de rechtbank bevestigd dat verzoeker geen ambtenaar was en dus geen bezwaar kon maken tegen de besluiten van gedaagden. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat geen spoedeisend belang bestond en er geen grond was voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening en ambtelijke aanstelling werd afgewezen; verzoeker was geen ambtenaar.