ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 44 WAO na fraudeonderzoek
Appellant ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Gedaagde, het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), schortte de uitkering per 1 januari 1997 op na een fraudeonderzoek waaruit bleek dat appellant van augustus tot november 1996 werkzaamheden in de bouw verrichtte en inkomsten genoot die niet waren gemeld.
De rechtbank Maastricht verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het besluit tot schorsing beoordeeld moet worden naar de situatie ten tijde van het besluit en niet op basis van latere ontwikkelingen. Het vermoeden van onrechtmatigheid was gerechtvaardigd gezien het fraudeonderzoek.
Verder werd geoordeeld dat de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid volgens artikel 44 WAO Pro moet worden vastgesteld door vergelijking van het maatmaninkomen met de feitelijke inkomsten uit arbeid. De inkomsten van appellant leidden tot een fictieve arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, waardoor geen recht op uitkering bestond over de periode 19 augustus 1996 tot en met 19 november 1996.
Appellants argument dat de uitkering slechts gedeeltelijk geschorst moest worden vanwege deeltijdse werkzaamheden werd verworpen. Ook de aanpassing van het maatmaninkomen leidde niet tot een andere uitkomst. De Raad vond geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de schorsing van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt bevestigd.