ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8685

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
99/1082 WVG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.I. 't Hooft
  • Ch. de Vrey
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.4 sub c.1 Besluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicaptenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verhuiskostenvergoeding volgens regelgeving op datum verhuizing

Appellante heeft op 19 oktober 1996 een aanvraag ingediend voor een verhuiskostenvergoeding in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG). Zij verhuisde eind november 1996 naar de woning waarvoor de vergoeding was bedoeld. De gemeente weigerde aanvankelijk de vergoeding toe te kennen, maar na bezwaar werd alsnog een bedrag van f 2.500,-- toegekend.

De hoogte van de vergoeding was per 1 januari 1997 verhoogd naar f 4.500,--. Appellante stelde dat de hogere vergoeding van toepassing moest zijn, omdat het besluit pas in 1998 werd genomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de regeling van toepassing is die gold op het moment van verhuizing.

De Centrale Raad van Beroep volgt dit oordeel en bevestigt dat de aanspraak op de vergoeding beoordeeld moet worden naar de regelgeving op het moment van verhuizing, namelijk eind november 1996. De vergoeding van f 2.500,-- is daarmee terecht toegekend. Het hoger beroep van appellante wordt verworpen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de verhuiskostenvergoeding van f 2.500,-- terecht is toegekend volgens de regelgeving op het moment van verhuizing.

Uitspraak

99/1082 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 januari 1997 heeft gedaagde geweigerd appellante - in het
kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Verordening
voorzieningen gehandicapten gemeente 's-Gravenhage - in aanmerking te brengen
voor een verhuiskostenvergoeding.
Gedaagde heeft het namens appellante tegen dat besluit ingediende bezwaar bij
het bestreden besluit van 20 januari 1998 gegrond verklaard, en appellante
alsnog in aanmerking gebracht voor een verhuiskostenvergoeding van f 2.500,--.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 19 januari
1999 het tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Van die uitspraak is mr E.A. Mink, advocaat te 's-Gravenhage, namens appellante
in hoger beroep gekomen op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 januari 2000,
waar mr E.A. Mink, voornoemd, namens appellante is verschenen en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes, werkzaam bij de gemeente
's-Gravenhage.
II. MOTIVERING
De hierna volgende gegevens van feitelijke aard zijn niet betwist en vormen
voor de Raad het uitgangspunt bij de beoordeling van dit geding.
Appellante heeft op 19 oktober 1996 een aanvraag om een verhuiskostenvergoeding
ingediend en daarbij aangegeven dat zij vermoedelijk eind november 1996 zou
gaan verhuizen. Vast staat dat appellante eind november 1996 is verhuisd naar
de woning waarvoor de verhuiskostenvergoeding was bestemd. Eveneens staat vast
dat de hoogte van de verhuiskostenvergoeding tot 1 januari 1997 maximaal
f 2.500,-- bedroeg, en dat voornoemd bedrag (ingevolge artikel 4.4. sub c.1 van
gedaagdes Besluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten) met
ingang van 1 januari 1997 is gewijzigd en verhoogd tot een bedrag van f 4.500,--.
Gedaagde is van opvatting dat appellante bij het bestreden besluit van 20
januari 1998 terecht in aanmerking is gebracht voor een verhuiskostenvergoeding
van f 2.500,--, terwijl appellante kort gezegd van mening is dat gedaagde de
voor haar gunstiger regeling ten tijde van het primaire besluit had behoren toe te passen.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. Het oordeel van de
rechtbank komt er op neer dat het recht dient te worden toegepast zoals dat
gold ten tijde van de aanvraag van de verhuiskostenvergoeding, nu die
vergoeding is gevraagd voor een verhuizing die heeft plaatsgevonden vóór
inwerkingtreding van de wijziging van het normbedrag.
De Raad is in het voetspoor van de rechtbank - en in de lijn van zijn eerdere
uitspraak gepubliceerd in USZ 1997/45 - van oordeel dat de aanspraken van
appellante op een verhuiskostenvergoeding in dit geval beoordeeld dienen te
worden naar de regelgeving zoals die gold op het tijdstip waarop die aanspraken
betrekking hebben, te weten de datum van verhuizing. Nu die verhuizing eind
november 1996 heeft plaatsgevonden heeft gedaagde terecht bij het bestreden
besluit aan appellante een verhuiskostenvergoeding toegekend van f 2.500,--.
In hetgeen namens appellante in hoger beroep schriftelijk en mondeling is aangevoerd
heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden voor een ander oordeel.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in
artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en mr Ch. de Vrey en
mr D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van mr M. van 't Klooster
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2000.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. van 't Klooster.
JdB
1102