ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8685
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. 't Hooft
- Ch. de Vrey
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verhuiskostenvergoeding volgens regelgeving op datum verhuizing
Appellante heeft op 19 oktober 1996 een aanvraag ingediend voor een verhuiskostenvergoeding in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG). Zij verhuisde eind november 1996 naar de woning waarvoor de vergoeding was bedoeld. De gemeente weigerde aanvankelijk de vergoeding toe te kennen, maar na bezwaar werd alsnog een bedrag van f 2.500,-- toegekend.
De hoogte van de vergoeding was per 1 januari 1997 verhoogd naar f 4.500,--. Appellante stelde dat de hogere vergoeding van toepassing moest zijn, omdat het besluit pas in 1998 werd genomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de regeling van toepassing is die gold op het moment van verhuizing.
De Centrale Raad van Beroep volgt dit oordeel en bevestigt dat de aanspraak op de vergoeding beoordeeld moet worden naar de regelgeving op het moment van verhuizing, namelijk eind november 1996. De vergoeding van f 2.500,-- is daarmee terecht toegekend. Het hoger beroep van appellante wordt verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de verhuiskostenvergoeding van f 2.500,-- terecht is toegekend volgens de regelgeving op het moment van verhuizing.