ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9039
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling dagloon en wettelijke rente in WAO-uitkering
Appellant, die sinds 1956 in Nederland werkzaam was en vanaf 1965 tot 1987 in Zweden woonde, kreeg daar vanaf 1 maart 1983 een invaliditeitspensioen. Na terugkeer in Nederland en het ontstaan van arbeidsongeschiktheid, stelde appellant bezwaar in tegen de vaststelling van zijn dagloon en de ingangsdatum van zijn WAO-uitkering.
De kern van het geschil betrof de juiste vaststelling van het dagloon, de gehanteerde wisselkoers van de Zweedse kroon, de verwerking van vakantiegeld en de toekenning van wettelijke rente. Appellant voerde aan dat een hogere wisselkoers en een hoger loon moesten worden gehanteerd, evenals een ander percentage vakantiegeld.
De Raad oordeelde dat de omrekenkoers van de dag van ingang van de uitkering leidend is, conform vaste jurisprudentie, en dat het door appellant aangevoerde hogere loon onvoldoende overtuigend was onderbouwd. Ook werd vastgesteld dat het vakantiegeldpercentage van 12% niet tot een hoger dagloon leidt dan vastgesteld.
Ten aanzien van de wettelijke rente bevestigde de Raad dat deze pas vanaf 1 december 1992 verschuldigd is, omdat op basis van eerdere informatie uiterlijk 16 november 1992 een beslissing genomen had moeten worden. De nalatigheid van het Zweedse uitvoeringsorgaan leidt niet tot aansprakelijkheid van gedaagde.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat het dagloon en de wettelijke rente correct zijn vastgesteld en wijst het hoger beroep af.