ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onjuiste toepassing artikel 46a WAO
Appellant, die sinds 1978 in loondienst was en daarnaast als zelfstandige werkte, kreeg in 1992 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend op grond van de AAW en WAO. In 1996 werd hem meegedeeld dat de AAW-uitkering zou worden verlaagd en de WAO-uitkering zou worden stopgezet, omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.
In hoger beroep stond centraal of het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) terecht geen toepassing had gegeven aan artikel 46a WAO en het gelijkluidende artikel 36a AAW, die een gunstige regeling bevatten voor het combineren van AAW- en WAO-uitkeringen. De Raad oordeelde dat Lisv ten onrechte artikel 2 van Pro de betreffende besluiten niet toepaste, omdat het dagloon van appellant niet was gebaseerd op een volledige werkweek.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank voor zover deze in hoger beroep waren aangevochten. Tevens veroordeelde de Raad Lisv tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het door appellant betaalde griffierecht. De uitspraak werd op 21 september 2000 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en Lisv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.