ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9163

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 december 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
99/2135 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZiektewetArt. 5 Koninklijk Besluit 24 december 1986Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verzekeringsplicht op grond van privaatrechtelijke dienstbetrekking in ziektewetzaak

Appellant, werkzaam als chauffeur via een uitzendbureau bij een transportonderneming, betwistte zijn verzekeringsplicht op grond van het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad onderzocht of appellant zijn werkzaamheden persoonlijk moest verrichten en of er sprake was van een gezagsverhouding.

De Raad oordeelde dat appellant verplicht was de werkzaamheden zelf uit te voeren en dat hij per uur werd betaald, wat wijst op loonbetalingsverplichting. Daarnaast was appellant tot november 1998 afhankelijk van de vergunningen van de transportonderneming, wat een gezagsverhouding impliceert.

Gelet op deze feiten bevestigde de Raad het besluit dat appellant verzekeringsplichtig is op grond van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant als werknemer in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was en verzekeringsplichtig is volgens de Ziektewet.

Uitspraak

99/2135 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is mr J.A. Tiesing, advocaat te Breda, op bij
beroepschrift van 22 april 1999, met bijlagen, aangegeven
gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de
Arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening 3 maart
1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Namens gedaagde is bij brief van 14 juli 1999 van verweer
gediend.
Appellant heeft bij schrijven van 4 november 2000 de Raad
nadere stukken doen toekomen, alsmede de Raad ervan in kennis
gesteld dat hij de heer C.P.J. Meys gemachtigd heeft namens
hem in de procedure op te treden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
16 november 2000, waar appellant in persoon is verschenen,
vergezeld van zijn gemachtigde C.P.J. Meys, voornoemd.
Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr D.B.
Smaalders, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de aangevallen uitspraak, waarin
appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder,
de navolgende feiten.
X. Internationaal Transport B.V. te Y. (hierna: X.) is een
transportonderneming met tien personeelsleden in vaste dienst,
waaronder acht chauffeurs. Bij een tekort aan chauffeurs wordt
een beroep gedaan op het GPDW, thans uitzendbureau Randstad
Transportdiensten. In 1997 heeft eiser via GPDW 1400 uur bij
X. gewerkt.
Bij brief van 20 januari 1998 heeft eiser verweerder verzocht
om een onderzoek naar zelfstandigheid. Eiser verhuurt zichzelf
als (inter)nationaal chauffeur onder de naam Z. aan
transportbedrijven tegen een vooraf bepaald tarief, zulks met
gebruikmaking van een wagen van de desbetreffende
transportonderneming.
Bij besluit van 3 maart 1998, gericht aan X., heeft verweerder
besloten dat eiser verzekeringsplichtig is te achten omdat
sprake is van werkzaamheden verricht in het kader van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking, subsidiair dat sprake is
van werkzaamheden in een arbeidsverhouding die met een
privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt gelijkgesteld (op
grond van artikel 5 van Pro het Koninklijk Besluit van 24 december
1986, Stb. 1986, 655).
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van
eiser tegen dit besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, in
zoverre dat de verzekeringsplicht van eiser slechts wordt
gebaseerd op de artikelen 3 van de sociale verzekeringswetten,
en voor het overige ongegrond verklaard.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of appellant zijn
werkzaamheden voor X. in een privaatrechtelijke
dienstbetrekking heeft verricht.
Evenals gedaagde en de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag
bevestigend.
De Raad overweegt daartoe dat appellant gehouden was de
werkzaamheden persoonlijk te verrichten. Ter zitting van de
Raad is door appellants gemachtigde gewezen op zijn
uitzonderlijke kwaliteiten ten aanzien van het
goederenvervoer. Het lijkt de Raad dan ook aannemelijk dat als
X. appellant benaderde voor een opdracht, appellant deze
weliswaar kon weigeren of iemand anders kon voorstellen, doch
dat zodra hij zichzelf beschikbaar had gesteld, hij verplicht
was zelf de opdracht uit te voeren. Voorts staat vast dat
appellant voor zijn werkzaamheden per uur werd betaald, zodat
ook de loonbetalingsverplichting aanwezig was.
Wat betreft de tussen X. en appellant bestaande
gezagsverhouding hecht de Raad grote waarde aan de
omstandigheid dat appellant tot november 1998 niet in het
bezit was van de vereiste vergunningen ingevolge de Wet
goederenvervoer over de weg, op grond waarvan hij gerechtigd
was zelfstandig vervoer te verzorgen. Tot dat moment was hij
afhankelijk van de vergunning(en) van X., waardoor naar
's Raads oordeel het ontbreken van gezag niet waarschijnlijk
is, ook al brengt de aard van de werkzaamheden met zich dat
dat gezag niet manifest aanwezig zal zijn.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak
voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan
artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Mitsdien dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr R.C. Schoemaker, als voorzitter en mr G.
van der Wiel en mr L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid
van L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
28 december 2000.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) L.H. Vogt.
JdB
201