ECLI:NL:CRVB:2000:ZF5354

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
98/7114 AAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de intrekking van arbeidsongeschiktheidsuitkering onder de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet

In deze zaak gaat het om de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante, die woonachtig is te [B.]. De Centrale Raad van Beroep behandelt het hoger beroep tegen een besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), dat de uitkering van appellante per 1 juli 1996 heeft ingetrokken. Dit besluit was gebaseerd op de conclusie dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op dat moment minder dan 25% was. De rechtbank te Zutphen had eerder het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Appellante, vertegenwoordigd door mr. M. Postma, heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van de verzekeringsarts heeft gevolgd, die stelde dat appellante geschikt was voor de voor haar geselecteerde functies. De Raad heeft de medische aspecten van de zaak opnieuw beoordeeld en geconcludeerd dat de schatting van de arbeidsongeschiktheid niet kan standhouden. De Raad heeft vastgesteld dat de voorgehouden functies niet voldoen aan de eisen van het Schattingsbesluit, omdat er niet voldoende verschillende functies zijn aangeboden die appellante zou kunnen vervullen.

De Raad heeft de aangevallen uitspraak vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Tevens is bepaald dat het Lisv het door appellante betaalde griffierecht dient te vergoeden. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van de geschiktheid voor arbeid en de noodzaak om aan de wettelijke eisen te voldoen bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
98/7114 AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 21 maart 1996 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 1 juli 1996 ingetrokken, onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 25% was.
De rechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 20 augustus 1998 het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.
Namens appellante is mr M. Postma, wonende te Aalten, op bij beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt.
Mr Postma voornoemd heeft nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 november 2000, waar appellante, zoals tevoren was bericht, niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr M.J. Kraaijeveld, werkzaam bij de Uitvoeringsinstelling GUO B.V.
Il. MOTIVERING
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 1 juli 1996, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde niet in enig verlies aan verdiencapaciteit.
In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.
Op grond van het navolgende beantwoordt de Raad deze vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend.
Het geschil heeft zich in eerste aanleg toegespitst op de beoordeling van de medische aspecten. De rechtbank heeft zich achter het oordeel van de verzekeringsarts gesteld dat er voor appellante geen beperking geldt ten aanzien van het hand- en vingergebruik en is daarbij voorbijgegaan aan het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige reumatoloog P.J.I. van 't Pad Bosch.
De Raad laat daar of de voor appellante vastgestelde beperkingen moeten worden aangescherpt op het aspect hand- en vingergebruik, nu de schatting reeds op arbeidskundige gronden geen stand kan houden.
De Raad overweegt daarbij het volgende.
Appellante werkte in haar maatmanfunctie 30 uur per week. Aan haar zijn evenwel fulltime functies voorgehouden. De Raad heeft daarom aan gedaagde verzocht om aan te tonen dat de voorgehouden functies op de datum in geding ook in parttime vorm op de arbeidsmarkt voorkwamen. Gedaagde heeft daarop functiebeschrijvingen ingezonden van de functies bel. sales vertegenwoordiger, monteur en monteur ontvangers. Hieruit blijkt dat die functies op de datum in geding in deeltijd konden worden verricht.
De functiebeschrijving bel. sales vertegenwoordiger heeft echter betrekking op een andere functie dan de oorspronkelijk aan appellante voorgehouden functie verkooptelefoniste. Voor de functie bel. sales vertegenwoordiger wordt als opleidingseis gesteld dat een MAVO-diploma is behaald. Voor de functie verkooptelefoniste gold deze eis niet. Nu appellante alleen in het bezit is van een LHNO-diploma, voldoet ze niet aan de voor de functie van bel. Sales vertegenwoordiger gestelde opleidingseis, zodat die functie niet ten grondslag aan de schatting kan worden gelegd.
Hierdoor berust de schatting op slechts twee parttime functies en is daarmee niet in overeenstemming met artikel 3, eerste lid van het Schattingsbesluit (oud), dat vereist dat aan de schatting temninste drie verschillende functies ten grondslag worden gelegd.
De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen derhalve niet in stand blijven.
De Raad acht, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van proceskosten die vatbaar zijn voor ambtshalve toewijzing niet is gebleken, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;
Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 210,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van mr drs A.M. Overbeeke als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2000.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.M. Overbeeke.
IS