ECLI:NL:CRVB:2001:AB1656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. Haverkamp
- T.L. de Vries
- W.M. Levelt-Overmars
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maandelijkse vaststelling van nabestaandenuitkering bij wisselende inkomsten
Appellante ontving sinds oktober 1996 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). In 1997 werd haar uitkering voor juni en augustus herzien vanwege wisselende inkomsten uit oproepwerk bij een hogeschool. De Sociale Verzekeringsbank (gedaagde) paste de uitkering aan op basis van de inkomsten per maand en vorderde teveel betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde dit oordeel voor het eerste besluit en verklaarde het beroep daarop niet-ontvankelijk, omdat de grieven bij het tweede besluit aan de orde konden komen. Het geschil betrof de vraag of de korting op de uitkering per maand of gemiddeld over een langere periode moest worden vastgesteld.
De Raad oordeelde dat de wet en het Inkomens- en samenloopbesluit Anw uitgaan van maandelijkse vaststelling en verrekening van het inkomen. De mogelijkheid om een gemiddeld inkomen te bepalen dient slechts als verrekeningssysteem met herberekening per zes maanden. Het beleid van gedaagde om bij wisselende inkomsten per maand te verrekenen is juist en leidt niet tot een kennelijk onredelijk resultaat. De Raad bevestigde daarom het besluit tot herziening van de uitkering over augustus 1997.
De Raad veroordeelde gedaagde in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht aan haar wordt vergoed. Hiermee werd de eerdere uitspraak van de rechtbank deels vernietigd en deels bevestigd.
Uitkomst: De maandelijkse vaststelling van de nabestaandenuitkering bij wisselende inkomsten is juist toegepast en het beroep tegen het tweede besluit wordt afgewezen.