ECLI:NL:CRVB:2001:AB1737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering en rechtszekerheid bij functietoewijzing
Het geschil betreft de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde en de herziening van zijn uitkeringen ingevolge de AAW en WAO. Appellant, het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), stelde de uitkering vast op 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid per 1 juni 1995, waarbij een nieuwe functie werd toegewezen na verwijdering van een eerdere functie uit het Functie Informatie Systeem.
De rechtbank vernietigde het besluit omdat de nieuwe functie van assistent-tandtechnieker niet vooraf met gedaagde was besproken, wat in strijd was met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank bepaalde dat de uitkering per 11 september 1996 op dezelfde mate van arbeidsongeschiktheid moest worden herzien.
In hoger beroep stelde appellant dat nieuwe functies met terugwerkende kracht konden worden toegewezen zonder voorafgaande bespreking. De Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat voorafgaande kennisgeving aan de betrokkene vereist is, tenzij de nieuwe functie sterk verwant is aan eerder voorgehouden functies, wat hier niet het geval was.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat de herziening per 11 september 1996 bevestigt, omdat het aanzienlijke tijdsverloop nader onderzoek vereist om de uitgangspunten ongewijzigd te achten. De rest van de uitspraak werd bevestigd en appellant werd veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De Raad vernietigt de vaststelling van de herziening per 11 september 1996 wegens strijd met rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel en veroordeelt appellant in de proceskosten.