ECLI:NL:CRVB:2001:AB1799

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/6924 AAW/WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • H.J. Simon
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:73 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens uitbreiding schadevergoeding buiten geding

De appellant had tegen besluiten van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) beroep ingesteld inzake de intrekking en herziening van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De rechtbank had de besluiten vernietigd en gedaagde veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over het nabetaalde bedrag.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn schade niet alleen bestond uit de te late betaling maar ook uit kosten voor het verkrijgen van een krediet-hypotheek. Hij vorderde vergoeding van deze overige schade.

Gedaagde betoogde dat appellant niet ontvankelijk was omdat in eerste aanleg alleen wettelijke rente was gevorderd en geen andere schadevergoeding was gevraagd of onderbouwd. De Raad oordeelde dat de vordering tot vergoeding van overige schade buiten de omvang van het geding viel en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.

De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens uitbreiding van de schadevergoeding buiten de reikwijdte van het geding.

Uitspraak

98/6924 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 2 april 1996 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ingaande 1 juni 1996 ingetrokken en zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van dezelfde datum herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Bij besluit van 6 augustus 1996 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde besluit 1 gewijzigd in die zin dat de uitkeringen van appellant ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 3 juni 1996 worden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit 2 heeft gedaagde voorts de uitkering ingevolge de AAW met ingang van 24 juli 1996 ingetrokken en de uitkering ingevolge de WAO met ingang van dezelfde datum herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
De Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 22 juli 1998 de door appellant tegen de besluiten 1 en 2 ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten 1 en 2 vernietigd onder gelasting van vergoeding door gedaagde aan appellant van het door hem betaalde griffierecht en veroordeling van gedaagde in de proces-kosten van appellant. Voorts heeft de rechtbank gedaagde veroordeeld tot betaling aan appellant van de wettelijke rente over het bedrag van hetgeen aan appellant ingevolge deze uitspraak zal moeten worden nabetaald, te berekenen op de wijze als in de uitspraak is aangegeven.
Namens appellant is mr T.A.M. Visser, advocaat te ’s-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 5 april 2000 heeft gedaagde nadere stukken ingediend.
Bij brief van 11 mei 2000 heeft de gemachtigde van appellant nadere stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 16 januari 2001, waar de gemachtigde van appellant is verschenen. Namens gedaagde is verschenen mr M.L.C. de Jonge, werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V.
II. MOTIVERING
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder andere overwogen aanleiding te zien gedaagde, zoals door appellant is verzocht, met toepassing van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding. De rechtbank overwoog voorts als volgt:
"Eiser heeft bij brief van 23 februari 1996 aangegeven dat zijn verzoek tot schadevergoeding beperkt blijft tot het vorderen van wettelijke rente.”.
Voorts heeft de rechtbank in haar overwegingen aangegeven op welke wijze deze met de vernietiging van de besluiten 1 en 2 samenhangende veroordeling van gedaagde tot betaling aan appellant van de wettelijke rente haar beslag dient te krijgen.
In hoger beroep heeft appellant gesteld zich met de motivering van de aangevallen uitspraak niet te kunnen verenigen voorzover de rechtbank heeft vastgesteld dat zijn verzoek om schadevergoeding beperkt blijft tot het vorderen van de wettelijke rente. Daartoe heeft appellant gesteld dat zijn schade niet alleen bestaat uit de te late betaling van de uitkering maar ook uit gemaakte kosten ter verkrijging van inkomsten ter vervanging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Appellant maakt dan ook naast vergoeding van wettelijke rente aanspraak op vergoeding van de kosten in verband met het vestigen van een krediet-hypotheek ten behoeve van de gemeente [gemeente]. Daartoe verzoekt hij de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden te bevestigen, alsmede gedaagde te veroordelen in de overige door appellant geleden schade.
Gedaagde is blijkens zijn verweerschrift van mening dat appellant niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep. Hij heeft er op gewezen dat appellant in de beroepsprocedure in eerste aanleg de rechtbank enkel heeft verzocht gedaagde te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente. Overeenkomstig dit verzoek is gedaagde naar zijn mening in de aangevallen uitspraak dan ook terecht veroordeeld tot enkel het betalen aan appellant van bedoelde wettelijke rente.
Noch in de beide beroepschriften tegen de besluiten 1 en 2 noch in de nadere motivering van het beroep tegen besluit 2 is door of namens appellant verzocht om schadevergoeding. De gemachtigde van appellant heeft in zijn brief van 23 februari 1998 aan de rechtbank gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid te reageren op het in het kader van de beroepsprocedures tegen de besluiten 1 en 2 aan de rechtbank uitgebrachte rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige van 18 december 1997. In deze brief verzoekt de gemachtigde de rechtbank "het beroep tegen de besluiten van 2 april 1996 en 6 augustus 1996 gegrond te verklaren, de bestreden besluiten te vernietigen, verweerder te veroordelen aan eiser de wettelijke rente over de aan hem ten onrechte niet uitgekeerde bruto bedragen te betalen en verweerder in de proceskosten te veroordelen”.
De Raad stelt vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak gedaagde overeenkomstig het verzoek van de gemachtigde heeft veroordeeld tot vergoeding van schade in de vorm van de wettelijke rente als evenbedoeld.
Nu appellant noch in de brief van 23 februari 1998 noch op enig ander moment in de beide beroepsprocedures in eerste aanleg andere schadeposten heeft genoemd of heeft verzocht ter zake van andere schadeposten nog een onderbouwing te mogen geven dan wel anderszins ter zake een voorbehoud heeft gemaakt, valt de verzochte schadevergoeding in hoger beroep buiten de omvang van het geding in hoger beroep, zoals dat wordt bepaald door de vordering in eerste aanleg en de reikwijdte van de aangevallen uitspraak.
Op grond van het hiervoor overwogene is geen andere conclusie mogelijk dan dat het hoger beroep niet ontvankelijk is.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en mr H.J. Simon en mr C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2001.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.D. Streefkerk.
IS
+Q